Monthly Archives: januari 2026

Op zoek met Freek (1)

Op zoek met Freek (1)

Kievitseieren

Nadat ik U allereerst gezondheid en geluk gewenst heb voor het nieuwe jaar, vervolg ik mijn zoektocht naar de geheimen van het ultieme levensgeluk. Het is fijn, als er iemand met je meeloopt. Je kunt gedachten delen en het is gezelliger. In mijn jonge jaren struinde ik vanaf half maart tot half april urenlang over akkers en weilanden, op zoek naar kievitseieren. Rini, momenteel deel uitmakend van ons duiventeam, was toen al “partner in crime”. Samen stroopten we onze favoriete gebieden af. “Heze, Hoorne, Hengelder, Heuiland”. Zo maar wat veldnamen met de letter “H”. Soms ging ik alleen, maar samen was het veel leuker. Vier ogen zien meer dan twee en je bent steeds met elkaar in overleg over het gedrag van de vogels. We genoten van de natuur, maar we waren ook wel een beetje “broodzoekers”. De gevonden kievitseieren verkochten we aan mensen in de eierhandel als Bertus Diekman of Hemmie Boesveld. Ook particulier aan Hotel ’s Gravenhof”, of aan Oosterberg. Soms ging het om het eerste ei van de gemeente Voorst. Achterop de scooter van “meester” Arendse, om het eerste ei aan te bieden aan burgemeester van der Feltz. De bedankbrief heb ik altijd bewaard. “Heel goed, dat je de eerste kievitseieren uithaalt, want die gaan anders door nachtvorst toch overstuur”, moedigde hij me aan. Voor hele vroege eieren kreeg je vijf gulden, of een zilveren rijksdaalder. Voor het eerste ei van de provincie kreeg ik ooit vijfentwintig gulden. Later zakte de prijs en moest je het doen met een gulden of twee kwartjes per ei. De eieren bewaarden we vaak in onze wollen muts. Ik herinner me die keer in het voormalige Empese rietland, dat Rini en ik samen 25 eieren vonden. Kan me niet herinneren, dat er ooit een eitje sneuvelde. Toen ik José nog maar kort kende, nam ik haar mee de weilanden in. Naarmate je ouder wordt, neemt de bedrevenheid toe en “lees” je het gedrag van de kieviten. We verplaatsten ons per auto en in enkele uren hadden we zestig eieren gevonden, die we overigens netjes lieten liggen. Dat was halverwege de jaren zeventig, toen het al bergafwaarts ging met de kievit. Soms vond je in één weiland wel vier nesten met eieren. Dat was in de jaren zestig. Daarna liep de kievitenstand snel terug. Je probeerde het tij te keren, maar het was vechten tegen de bierkaai. Het markeren van nesten had vaak een averechts resultaat. Kraaien wisten al snel wat een stokje in het veld betekende. Honden, katten, kraaien, eksters, meeuwen, ooievaars, vossen, roofvogels. Het aantal predatoren was schier oneindig. Het grondwaterpeil zakte, de kruidige weilanden met slootjes en poeltjes verdwenen en maakten plaats voor biljartlakens met Engels Raaigras waar nauwelijks iets eetbaars voor de kievit kon leven. Het bewerken van het land door de boeren gebeurde steeds vroeger en intensiever en de trekkers en machines werden steeds groter en zwaarder. Soms kijk ik in het voorjaar op de favoriete zoekplekken van weleer, maar er is nergens een kievit te horen of te zien. En hetzelfde geldt voor grutto’s, tureluurs en veldleeuweriken. Rini werkte tot voor kort als muskusrattenvanger en was dagelijks in het veld te vinden. “Heb je nog kievitseieren gevonden”, vroeg ik hem dikwijls in het voorjaar. Het antwoord was steeds hetzelfde. “Je ziet of hoort vrijwel nergens meer weidevogels, laat staan dat je nesten met eieren vindt”. Het is een trieste constatering. De vrolijke luchtacrobatiek van onze kieviten, het geroep van de grutto en het karakteristieke opstijgen van de veldleeuwerik. We moeten het doen met onze verbeelding en met de mooie herinneringen. “Of neet tan, Rinus”?

Quiz

Vorige week zaterdag had onze postduivenclub Steeds Verder haar “slotverkoop”. Men kon voorbieden op “Duiven.net” en dat gaf al een opbrengst van ruim drieduizend euro. De slotveiling in Twello leverde nog een kleine 10% extra op, waarmee de club weer een jaar uit de financiële nood is. Onze duivenclub heeft nog plm. twintig leden. De één is vervelend genoeg ziek, de ander is op vakantie en dan weet je, dat je mede afhankelijk bent van bezoekers van andere clubs. Gelukkig trotseerden die het winterweer en werd het toch nog gezellig. Vooral Deventer was goed vertegenwoordigd. Het was me opgevallen, dat het fenomeen “quiz” in veel verenigingen populair was. Het dorpsfeestcomité had een dorpsquiz, de fanfare een popquiz en de voetbalvereniging een pubquiz. Je moet als duivenclub wat vertier bieden en zo ontstond het idee om een duivenquiz te houden, rondom de slotverkoop. Voorzitter Sven gaf groen licht, Albert wilde wel meewerken en zo ging het balletje rollen. “Maak jij de vragen maar, want ik ben op mijn werk momenteel heel erg druk”. Albert is sporthalbeheerder en heeft rond kerst en nieuwjaar allerlei toernooien en wedstrijden. Ik vond het een leuke bezigheid om een quiz in elkaar te zetten over onze hobby (goeie hersengymnastiek) en zo konden we de aanwezigen op een leuke manier aan het werk zetten. Het duo Vos en Vos (Peter Voskamp en Henk Voskamp, overigens geen familie van elkaar) behaalde met 19 goeie antwoorden de tweede plek. Cor Wenink en Stefan Jansen kroonden zich met 22 goeie antwoorden tot beste postduivenkenners van de gemeente Voorst en wijde omgeving. Het was een gezellige middag, waar je elkaar de hand kunt schudden en de onderlinge verbinding kunt versterken. Er werd gelachen en Hans en Rein zorgden voor de oliebollen en inwendige mens.

Kweek

Onze kweekduiven waren vlak na de kerst gekoppeld. Ze waren een dag of tien bijgelicht en de eitjes kwamen afgelopen week vlot. Traditiegetrouw maak ik enkele weken voor de koppeldatum enige emmers met een eigen mengeling van veen, klei, mineralen en grit. Ook gaat er een kilo snoep- en onkruidzaad door, die vooraf gedrenkt is in tarwekiemolie. Op deze manier proberen we de duiven in de voorbereidende fase een extra “boost” te geven. De laatste jaren hadden we prima kweekresultaten en zelden onbezette eieren, waardoor we de traditie in ere houden. Doordat we net zoveel voedster- als kweekduiven hebben, leggen we de eerste eieren onder de voedsters. Uit al onze kweekduiven willen we jongen. Als we er geen vertrouwen in hadden gehad, waren het geen kweekduiven geworden. Natuurlijk hebben we preferente kwekers. Die krijgen altijd voorrang. Het zijn “the big five”, die in rechte lijn van elkaar afstammen. Voor deze vijf doffers hebben we vijf uitverkoren duivinnen, met bewezen kweekwaarde. Zouden we ons geheel op deze favorieten focussen in de kweek, dan lopen we in de toekomst een keer vast. We zoeken dus bewust naar talent buiten de harde kern om. We hebben daarvoor topmateriaal, van edele komaf. Kleinkinderen van de grootste namen in ons land. Ons luxe-probleem is, dat jaar in jaar uit onze beste duiven komen uit steeds dezelfde doffers. Enerzijds is dat ideaal, anderzijds ook weer lastig. We weten inmiddels proefondervindelijk waar we ze niet vinden, maar nog steeds niet waar we ze wel vinden. Voor de gouden tip hou ik me aanbevolen! In “Op zoek met Freek” hou ik U op de hoogte, wat de zoektocht ons brengt.

Kloek

We hebben vier hokken met kippen. Allen met een afzonderlijke ren van plm. 60 vierkante meter. Dat is een souvenir uit de tijd, dat ik nog grote dubbelgezoomde Barnevelders fokte en de toompjes apart moest houden. Inmiddels hebben we bruine legkippen. Een kruising van witte leghorn en Rhode Island kippen. Deze hybridekippen (Isa Brown/Lohmann Brown), domineerden geruime tijd in de commerciële sector, maar er is een tendens naar geheel witte kippen. De witte leghorn is de meest productieve kip (300 eieren op jaarbasis) en verbruikt het minste voer. De Rhode Islander komt op 220 eieren op jaarbasis en verbruikt meer voer. Minder eten, betekent minder mest en minder kosten. Dan is de witte leghorn de beste keus. De hybride-legkip had het voordeel bruine eieren te leggen en in de buurt te komen van de legcapaciteit van de witte leghorn. Ze verbruiken meer voer en zorgen voor meer mest, waardoor er een tendens is om te kiezen voor de witte leghorn. Economisch gezien de beste keus voor een beroepskippenhouder. In de supermarkt zie je tegenwoordig overwegend witte eieren. Daar moet de consument aan wennen, maar smaakverschil is er niet. Zelf zie ik liever de bruine legkip. Ze is iets steviger en heeft niet de overhangende kam, die de leghorn typeert. Bij ons liep in de eerste ren een overjarige bruine hen, die ooit via natuurbroed was groot gebracht. Twee bejaarde hanen vergezelden haar. Op een gegeven moment was ik de hen kwijt. Na enig speurwerk vond ik haar broedend op elf eieren. Daarvan haalde ik er twee weg, opdat ze beter op de eieren kon broeden. Rond  8 januari zouden ze uit moeten komen, had ik berekend. Er gebeurde echter niets en bij een test bleken alle eieren schier (onbevrucht). Met name José was erg teleurgesteld. Een zorgzaam broedende kip in de bittere vrieskou werd niet beloond voor haar wekenlange trouw aan haar nest, doordat de oude hanen hun taak hadden verzaakt. “Kun je niet ergens een paar kuikentjes opscharrelen”, vroeg José. “Ik vind het zielig voor die trouwe, ouwe kip”. Ik appte naar Sando, die op zijn zorgboerderijtje ook regelmatig eieren uitbroedt met de broedmachine. Hij had geen kuikentjes beschikbaar, maar wist nog wel een adresje. Gisteren reed ik naar Wekerom, waar een hobbybroeder wat bruine legkipkuikens beschikbaar had. Ik nam er zeven mee. Thuis gekomen wilde ik ze onder de kloek zetten, maar die was net van plan het nest definitief te verlaten. Dat was niet de bedoeling. Ik plaatste haar in een donkere doos met de zeven kuikentjes en wachtte rustig af. De kloek ging zitten en de kuikentjes kropen onder haar. Ik wachtte een uur en hoorde dat het ijs gebroken was. De kloek maakte zorgzame kloekgeluidjes en de kuikentjes piepten heel tevreden. Het moederinstinct was door de kuikentjes onder haar helemaal aangewakkerd en toen ik de doos opende pikte ze me in de hand om haar aangenomen kindjes te beschermen. Dikke mik! José was helemaal blij. Een kloek met kuikens in de sneeuw. Hoe mooi wil je het hebben?

Garfield

“Heb je de rode kater, die in je tuin geboren werd uit een verwilderde kat, nog steeds?” Soms komt die vraag voorbij en ik kan hem bevestigend beantwoorden. Onze “Garfield” is onze grote vriend. Hij is van 2016, dus viert hij komend voorjaar zijn tiende verjaardag. Het is een “buitenkat”. Slapen, doet hij overdag in een stoel naast de achterdeur. ’s Nachts maakt hij zijn ronde, maar nu hij ouder wordt, wordt die ronde steeds korter. Alleen als er krolse katten zijn, is hij soms zomaar 1, 2 of zelfs 3 dagen in geen velden of wegen te bekennen. Dan maken we ons zorgen, maar hij komt tot heden altijd weer terug. Meestal is hij toegetakeld bij thuiskomst, want onze “Garfield” is een echte lieverd. Een Jan Doedel in optima forma, die bij gevechten steeds het onderspit delft. Hij is heel voorzichtig. Steekt de drukke weg over, maar dat gaat al bijna tien jaar goed. Een veearts heeft hij nooit gezien. Blijkbaar is zijn natuurlijke buitenleven goed voor zijn gezondheid. Het is een erg zindelijk dier. Zijn uitwerpselen begraaft hij diep en zorgvuldig en “sproeien”, wat veel katers doen, heeft hij nooit gedaan. Het is een aanhankelijk dier, die zijn nagels ingetrokken houdt om zijn baasjes niet te bezeren. Een kater, die vreemde katten weg houdt en geen interesse heeft voor onze duiven, of voor andere vogels in de tuin. Alleen muizen lopen bij hem gevaar, maar dat juichen we toe. We praten veel met hem en het lijkt erop, dat hij ons begrijpt. We hopen nog lang plezier te beleven aan onze trouwe metgezel.  (wordt vervolgd)