Op hoop van zegen 2024

Op hoop van zegen (20)

Op hoop van zegen (20)

Toos

moeder Toos 90 jaarPrecies 95 jaar geleden, werd moeder Toos in buurtschap Klein Amsterdam geboren, als jongste telg, in een gezin met zeven kinderen. Zeventien november 1929. Als “crisisjaren” staat die periode te boek. Op 23 februari van dit jaar stierf ze vredig. Ze was op. De laatste telg van haar generatie in onze familie. In augustus verstrooiden haar zes kinderen de as van vader en moeder vanaf de kop van een kribbe nabij “Het Gelders Hoofd” op de Voorsterklei. Zingend en schouder aan schouder omarmd stonden we, terwijl de gemengde as deels wegdreef en deels zakte in het stromende IJsselwater. Bloemhoofden uit onze tuinen markeerden de onzichtbare as, die stroomafwaarts werd meegevoerd. Een gedenkwaardig moment. Vanmiddag herdenken we onze ouders tijdens een “Bourgondisch buffet” bij Bello in Hall. Vorig jaar op de verjaardag van moeder waren we er ook. Gerrit Bello, de pater familias en oud-eigenaar, zelf ook tweede helft tachtig, schoof bij ons aan tafel en haalde oude herinneringen en anekdotes op. “Volgend jaar op 17 november spreken we weer op deze plek af. Jij bent er bij leven en welzijn bij en moeder Toos ook, als het ons gegeven is”, sprak ik met hem af. Gerrit knikte instemmend. Toen moeder overleed in februari, was er een rouwkaart van de familie Bello. Hoop Gerrit en zijn vrouw vandaag nog even te ontmoeten, tijdens het eten in Hall.

Dromen

Over het algemeen ben ik een goede slaper, in tegenstelling tot José, die een “hazenslaap” heeft. “Heb je nog gedroomd?” Die vraag stuurt José vaak op me af in het ochtendgloren. Ik antwoord vaak met een wedervraag. Eigenlijk dromen we beiden niet zo vaak en vaak is het onsamenhangend en kunnen we het gedroomde niet of nauwelijks reproduceren. De afgelopen weken, droomde ik ’s nachts regelmatig. Dan word ik midden in de nacht wakker en denk dan verder over dingen, die ik net gedroomd heb. Het zijn mijn jeugdjaren op de kleuterschool, de lagere school en de jaren op het vervolgonderwijs. Het zijn geen nare dromen of nachtmerries. Als het om mijn prille jeugd gaat, zijn het een soort sprookjes in een kabouterbos. Als kleuter vond ik klasgenootje Dinie een leuk meisje. Blond met blosjes op de wangen. “Frekie geet met Dinie”, zongen klasgenootjes plagerig. Hoe wisten ze, dat ik Dinie leuk vond? In mijn droom wonen we in een holle boom. Ik sprokkel houtjes in het bos en Dinie kookt op ons fornuisje een papje van eikels, beukennootjes en kastanjes. Tussen twee bomen is een waslijntje gespannen, waar onze kleren vrolijk wapperen in de wind en ik heb een groentetuintje en wat kippen. ’s Avonds lezen we samen boeken bij kaarslicht in onze holle boom en slapen in een ledikantje gevuld met stro. Hoe onschuldig kun je dromen?

Jan

Volwassenen zullen ongetwijfeld mijn dromen herkennen. Ieder kind is wel eens verliefd, denk ik en ieder heeft zijn of haar eigen jeugdherinneringen en kinderlijke romances. Op de lagere school was ik een braaf jochie. Ik deed goed mijn best en ging met plezier naar school op mijn tweedehandse, blauwe “doortrappertje”. Eerst langs het duivenhok van Adriaan Kik, met zijn rondklapperende, zwarte doffers. Dan langs de woning van Dinie en vervolgens de woning van Jan ten Hove. Jan was een geboren pechvogel. Hij had een mank been ten gevolge van polio en leed aan een ernstige stofwisselingsziekte. Jan lag in zijn jonge jaren vaak en langdurig in het ziekenhuis en was klein voor zijn leeftijd. Ondanks zijn beperkingen was hij voor de duvel niet bang en meestal opvallend realistisch en vrolijk. Hoewel hij soms weken of maanden niet op school was en daardoor veel miste, was er van doubleren geen sprake. Jan was slim en we trokken vaak samen op. Kievitseieren zoeken, waarbij Jan ondanks zijn aangepaste schoeisel, zijn poliobeen en zijn dikke buikje, op zijn tandvlees mee hobbelde zonder te piepen. Of eendeneieren zoeken in “Zilvense Broek”, waar ik nog nooit van gehoord had, of de eieren van de havik in een naaldboom in het Empese Veld uit het nest schudden. We deden het met goeie bedoelingen, want roofvogels pakken zangvogels, jonge kieviten en jonge haasjes.  Wisten wij veel? Ook haalden we in mei jonge kraaien uit de holle knotten van wilgen in Empe. In onze schooljaren waren jonge kraaien populair. Veel kinderen probeerden een jonge kraai tam te maken. In een kistje of oud konijnenhok werd de kraai geplaatst en gevoerd met geweekt brood. Anderen gaven ochtendvoer van de kippen. Soms bliezen ze de kraaienmars, maar sommigen slaagden erin om de kraai in leven te houden en echt tam te maken. Dan vloog de kraai gewoon buiten en landde op commando op de hand van de eigenaar. Ik herinner me de kraai van Johnny Hensbergen, van Roelie Weijenberg en van mijn duivenmaatje Rini Vos. Bij Rini zat de kraai meerdere jaren tussen zijn duiven in het duivenhok. Als hij de duiven los liet, probeerde de kraai mee te vliegen met de duiven. Vanuit de tuin van ons huis, zag ik het tafereel. Rini woonde goed honderd meter bij ons vandaan en het was een koddig gezicht om rondcirkelende duiven te zien met daar tussen het afwijkende vliegbeeld van een kraai. Sommigen slaagden erin om de kraai eenvoudige woordjes te laten roepen, zoals “Gerrit”. Mijn eerste vissenkom was een glazen bak met stekelbaarsjes. Jan wist, waar je stekelbaarsjes kon vangen. Een mooie vriendschap met een jongen, die al jong wist, dat hij niet oud zou worden. Op Jan kom ik zeker nog wel een keer terug.

Spelletjes

In onze jonge jaren was de televisie een opkomend medium. Geleidelijk verscheen het “zwartwitkastje” in steeds meer gezinnen. Televisie was een inspiratiebron voor kinderspel. We waren thuis laat met televisie. Op de lagere school keek ik thuis bij vriendje Gerrit Kroon op zaterdagmiddag naar “Rawhide”. Een cowboyserie met o.a. Clint Eastwood. Ook zanger Roy Orbison maakte een verpletterende indruk in een eigen show. De avonturen van “Ivanhoe” zag ik nooit op televisie, maar vriendjes speelden met zelfgemaakte zwaarden de scenes na. Ik herinner me, dat “tollen” in mijn jonge jaren een rage was. Met een zweepje sloegen we met ferme klappen naar de paddenstoelvormige tol. Ook “landjepik” speelden we. Hinkelen was op zeker moment  mode en met een p.v.c. pijpje bliezen we papieren pijltjes of “sneeuwklapbessen” van de struiken in het najaar. De meisjes waren druk met “elastiektwist” en ook herinner ik me een spelletje met gekleurde draden tussen de vingers, waarmee je allerlei vormen kon maken, zoals de “kop-en-schotel”. Met buigbare gele p.v.c. pijp werden er “hoelahoeps” gemaakt, die je moest ronddraaien om je heupen en er waren toen al bofkonten met rolschaatsen. Knikkeren deden we natuurlijk ook. Eerst waren er simpele lemen knikkers, maar al snel verschenen er fraai gekleurde glazen knikkers en stuiters in verschillende maten. Die kreeg moeder gratis bij een fles “Abro” of een pak “Sneeuwwit”. Zegeltjes en reclame zijn van alle tijden. De knikkerzak, door moeder met de naaimachine gemaakt, ging mee naar school, want je probeerde in het spel om de knikkers te spelen. Met name meisjes raakten op zeker moment in de ban van het balspel. Met twee, drie, vier of meer ballen kaatsen tegen de muur en sommigen leerden echt jongleren. Als een rage voorbij ging, was er altijd het vertrouwde voetbalspel. Steevast eerst “poten” en dan “partijtje kiezen”. We liepen op de “Robinson” schoenen van Jan Stukker, die steevast “Stokkers” genoemd werd in de volksmond. Anderen droegen de “Ford” schoenen van concurrent en voetbalicoon Wim Hofman. Beiden waren in hun werkplaats druk met verzolen en hakken plaatsen, want onze schoenen versleten snel door het voetballen. Als je Stukker of Hofman ontmoette, keken ze eerst naar je voeten. Dat werd een tweede natuur en soms wist je, dat je het verkeerde merk droeg. In die tijd verschenen er steeds meer automaten in het straatbeeld. Automaten voor sigaretten en voor shag. Ook automaten gevuld met Smith’s chips, Nuts, Mars, Bounty en Treets of met rollen King pepermunt, Stophoest en Auto- of Voetbaldrop en ademverfrisser. Bij Boogman stond een soort bolvormige automaat met een draaiknop, waar je voor een dubbeltje allerlei snuisterijen kon draaien, zoals blikken zegelringen, enge rubberen beestjes en aanverwante pruttel. Voor een condoomautomaat was de tijd nog niet rijp. Ik wist in die tijd nog van niks, maar de liefhebbers gingen naar de drogist, waar ze met een rood hoofd en een knipoog vroegen om “aspirine”, zo hoorde ik later. Gerrit Smit had het over “Pietstief” van “de Troet”, maar Gerrit had wel vaker sterke verhalen, als het de humor ten goede kwam. Verzamelen was in onze jonge jaren ook een dingetje. We hadden sigarenbandjes, suikerzakjes en op een gegeven moment brak de speldjesrage uit. Er waren degelijke, zilverkleurige en gesoldeerde speldjes en goedkope en met lijm geplakte blikken speldjes. Een complete gekte op zeker moment. Daarna volgde de sleutelhanger, maar voor mijn gevoel werd dat veel minder een rage. Als ik terug denk aan mijn lagere schooljaren, was er een overvloed aan onschuldig kindervertier.

Onderwijsgevenden

Terugdenkend aan toen, praat je al gauw over ruim zestig jaren geleden. De juffen en meesters van ons, zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid allemaal overleden. Aan meester Lugtmeijer vroeg ik op zevenjarige leeftijd middels een briefje vrijaf, als mijn vader een mooie rit had met zijn vrachtwagen. Dan vroeg hij aan juffrouw Iliohan, toen al een dame op leeftijd, of ik goed mijn best deed en dan deed hij niet moeilijk. Hij had in zijn jonge jaren als onderwijzer vader Ernst nog in de klas gehad en dat memoreerde hij steevast. Juffrouw Kraaijenzank was mijn juf van klas één. Ik was stiekem een beetje verliefd op haar en deed mijn uiterste best, om haar niet teleur te stellen. Op zeker moment ging ze trouwen met meneer Mol. “Wie trouwt er nu met een mol?”, zei ik thuis met de nodige jaloezie. Zou ze nog leven? Theoretisch kan het en zou ze nu tussen de negentig en honderd moeten zijn, schat ik in. Juffrouw Iliohan was een lieve juf en oude vrijster. Zij leeft zeker niet meer. Ook meester  Wim van Amstel leeft niet meer. Een kleurrijke man. Hij was verdienstelijk kunstschilder en als je jarig was, kreeg je een zelfgemaakte ansicht van een ets van zijn hand. Van Amstel speelde viool, maar dat vonden zijn leerlingen “kattengejammer”. Hij was dol op katjesdrop en regelmatig werd er een leerling naar de drogist gestuurd om dropjes te halen. Van Amstel werd “Papkop” genoemd. Geen leuke bijnaam. Onderwijzers en leraren hadden vroeger vaak minder leuke bijnamen. Zeg maar rustig scheldnamen. Van Amstel had de gewoonte om bij de deur leerlingen stevig in de spierballen te knijpen. Ook draaide hij oren om. Blijkbaar kon dat in de jaren na de oorlog. Een andere tijdgeest. De leerkracht was een zekere autoriteit, die een autoritaire opvoeding handhaafde, ook in de school. In de jaren zestig werd dat aanvankelijk nog getolereerd, maar het kantelpunt was aanstaande! Meester van Amstel was overtuigd communist en werd door de BVD in de gaten gehouden. Daar kregen we als kind niks van mee natuurlijk. Hij had het ongetwijfeld moeilijk met zijn ideologie en met de veranderende tijdgeest. Achter de schildersezel vond hij waarschijnlijk troost en bloeide hij op. Hoe dan ook: een bijzondere man! Meester Duim was wat jonger. Hij kon prachtig vertellen, maar gooide ook met zijn lederen sigarettenkoker, als je niet oplette. Meester Wim van Kampen was zijn opvolger. Hij werd rond 1963 aangesteld, ongeveer gelijktijdig met meester Henk Arendse. Van Kampen was gecharmeerd van de militaristische stijl van opvoeden. Hij was dol op sport en met name volleybal. Voor aanvang van de gymles moesten we aantreden met blote voeten. Wie smerige voeten had moest met Vim, Sunlight zeep en de harde borstel aan de slag. Gymbroek vergeten, betekende gym in de onderbroek. Met het ondergoed uit die jaren, was dat geen pretje! In de hogere klassen organiseerde van Kampen een groot volleybaltoernooi. De teams kregen een naam, zoals “de Mussen”, “de Mezen”, enz. Iedereen was enthousiast en de nieuwe meester kweekte meteen goodwill. Meester Arendse liet ook een nieuwe wind waaien door de school. De kroontjespen, met inktlappen en vloeipapier, werd ingewisseld voor de balpen. De schriften werden vervangen door de multomap en voortaan was er elke week “Weekopening”. Dit was een revolutionaire verandering. De ene week was klas 1 aan de beurt met een liedje, een dansje of iets dergelijks. De week erop mocht klas 6 zich presenteren met een toneelstukje, een goochelact, een mop of iets anders. De hele school keek toe in de gang en genoot van het gebodene. Een mooi begin van een nieuwe week. Het paste in “the roaring sixties” en de uit Zeeland afkomstige Arendse was op het goede moment op de juiste plek met zijn onderwijsvernieuwingen. Arendse speelde piano en nam grammofoonplaten mee naar school. Mahalia Jackson, negrospirituals, Peter en de Wolf van Prokofiev, ik vond het in één woord fantastisch en er ging een wereld voor mij open. Sommige klasgenootjes waren er nog niet aan toe en giechelden ongemakkelijk. Ze genoten wel van de dia’s en films, die Arendse zelf gemaakt had in o.a. Amerika. Ook met de maskers van gaas, die bedekt werden met papiermaché en daarna beschilderd, deed Arendse de leerlingen veel plezier. Henk Arendse en Wim van Kampen beleefden ongetwijfeld hun beste jaren in de jaren zestig. Ze vulden elkaar uitstekend aan en maakten wederzijds gebruik van talenten van de ander. De school floreerde. Toen de school dorpshuis werd en er aan de andere kant van de Rijksstraatweg een nieuwe school verrees, werkte ik er kortstondig als taakverlichter van Henk Arendse. Ik was inmiddels zijn aangetrouwde neef, toen hij met de hoofdleidster van de kleuterschool in Voorst trouwde De jaren tachtig braken aan. De sfeer was veranderd en Arendse en van Kampen waren niet meer het “gouden koppel” van weleer. Ze waren getrouwd, partners gingen een rol spelen, ze bleven te lang in hun rol en raakten vastgeroest en er ontstond irritatie. Van enige vriendschap of wederzijds respect was geen sprake meer.  Ik had het snel bekeken en voelde me niet meer thuis op de school, waar ik zelf als kind zo genoten had.

Verwerking

Door te schrijven over je jeugdjaren, vallen soms dingen spontaan op hun plek. Ga je zaken beter begrijpen. De leerkrachten, die ik noemde, leven zeer waarschijnlijk geen van allen meer en kunnen zich niet verdedigen. Het is  niet mijn bedoeling, om ze neer te sabelen, of belachelijk te maken. Ze deden ongetwijfeld hun best en verdienen respect. Ik probeerde mijn jeugdjaren  beter te begrijpen door ze op te schrijven, nadat ik er meerdere keren over gedroomd had. Ik ben achteraf blij, dat ik de jaren zestig bewust heb meegemaakt. Het was een interessant decennium. Ik zou nog veel meer kunnen schrijven over bijvoorbeeld mijn klasgenoten van toen, over de jaren na de lagere school en mijn route op weg naar volwassenheid. Misschien ga ik dat doen, afhankelijk van hoe ik de komende weken slaap. Ik wil in stijl eindigen en iets zeggen over mijn duiven. De hokken zijn leeg en de duiven hebben een nieuw baasje gevonden. Voor vandaag vind ik het welletjes. Straks gaan we naar Bello en ik hoop, dat we een waardevolle middag /avond beleven samen. (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (19)

Op hoop van zegen (19)

Terugblik

Eigenlijk heb ik seizoen 2024 nu wel afgesloten. Tot aan het nieuwe jaar hou ik ruimte voor een laatste blog en dan is het met twintig afleveringen ook mooi geweest. Vorige week hadden we de kampioenenhuldiging van de kring in het clubhuis van p.v. Holthuizen te Apeldoorn. Samen met Rini ging ik er naar toe. Aan een tafel met liefhebbers uit Emst/ Vaassen, waren nog enkele stoelen vrij. Daar vonden we een plekje. Teun de Graaf is met zijn echtgenote een trouwe bezoeker. Ook schoonzoon Roy, met partner was meegekomen. Tegenover me zat Jan Bouwmeester. Rini zat naast hem. Roy vertelde op zeker moment, dat Jan jaren terug tien miljoen had gewonnen in de staatsloterij. “Waar heb je jouw Rolls Royce staan”, vroeg ik hem. Jan bleek een man met humor. “Ik heb een gewone auto. Nadat ik de prijs gewonnen had, ben ik gestopt met werken. Ik bestelde een ploeg jongen bij Henk Scheffel en Teun bouwde me een nieuw duivenhok. Mooie herinnering. Ik ging gewoon in oude kleren naar Scheffel en praatte nergens over, toen ik de eerste jongen afhaalde. Scheffel zag me als eenvoudig arbeidertje en bood me een betalingsregeling in termijnen aan. Lachen, toch?” Ook Alco Bosch en zijn partner namen op zeker moment plaats naast Rini. Bij Alco trad afgelopen jaar Aart Hup in volledige dienst als hokverzorger. Die kan zich ook wel redden. Hein van de Berg was spreekstalmeester van dienst. Een aimabele, op en top duivenliehebber, die zich achter de microfoon als een vis in het water voelt. Voor de jonge duiven was het seizoen in twee delen geknipt. Kort (vitesse) en lang. Kort waren we eerste geworden, aangewezen en onaangewezen en José had de duifkampioen. Ik kon het amper bevatten. Op de verdere vluchten ging het een stuk minder. Toch zoek ik de oorzaak niet bij de duiven. Als je op de laatste en verste vlucht in de regio 3 en 4 speelt, weet je dat het niet met afstandgeschiktheid van je duiven te maken heeft. Nadat we in 1989 als eerste eindigden in wat toen nog “afd. Salland (Noord)” heette, zijn we al 35 jaar verder. Dan weet je, dat je niet elk jaar een topjaar hebt. Je bent van meerdere factoren afhankelijk. Ik heb daar vaker over geschreven. Soms lijkt alles vanzelf te gaan en soms is het “harken” en “ploeteren” om bij de kampioenen, of in de buurt, te staan. Terugkijkend mogen we niet klagen.

Duiven

Het afgelopen jaar hebben we geen duiven bijgehaald. We hadden nog vier latere zomerjongen van 2023, van de beste komaf, achter de hand. Die moeten we eerst testen komend jaar als kweekduif. Het inbrengen van nieuw bloed moet je doseren en niet overdrijven, is mijn opinie. Voorrang geven aan duiven, die zich hebben bewezen. Alleen als je pas begint, of nog geen succes hebt, kun je van deze regel afwijken. In Gietelo zijn de hokken leeg. Tien duiven, van de honderd waarmee we begonnen, mogen zich als kweekduif bewijzen. Dat betekent, dat er tien duiven van het kweekhok hun plek verspeeld hebben. Niet goed genoeg voor onszelf betekent niet goed genoeg voor niemand.  Survival of the fittest. Duiven krijgen een kans. Iedere duif mag zich als vlieger bewijzen. Slagen ze voor die proef, dan krijgen ze een kans als kweker. Is het rendement onvoldoende, dan is het einde oefening! Onze postduif is door keiharde selectie ontstaan. Zo was het en zo moet het blijven, anders boer je achteruit. We zien in de praktijk, geholpen door internet en veilingsites, dat de selectie uitgesteld wordt. De duif is waardeloos, maar de mooie stamkaart werkt verblindend en is geld waard, waardoor duiven elders nieuwe kansen krijgen. Een gevaarlijke ontwikkeling, waar ik met een grote boog omheen loop.

Inteelt

Vorig jaar was één van de compagnons gecharmeerd geraakt van inteelt. Hij experimenteerde wat met moeder op zoon en vader op dochter. Ik sta daar niet afwijzend tegenover en gun elk diertje zijn of haar pleziertje. Je moet wel nuchter zijn. Inteelt heeft alleen zin, als je een uitzonderlijke duif hebt. Een Olympiadewinnaar of 1e asduif in groot verband. Niet “het enige mooie meisje uit een familie”. Zo’n duif moet op alle fronten superieur zijn, met liefst zo veel mogelijk echte toppers in het voorgeslacht. Er zijn maar weinig liefhebbers, die zo’n duif op het hok hebben. Eigenlijk hoor je ook heel weinig over inteelt bij topspelers en ook op internet lees je er weinig over. Bruce Lowe was een bekende paardenfokker, die wel geloofde in de kracht van inteelt. De vader, moet familie zijn van de moeder en omgekeerd. Anders heeft het geen zin. Ik zag ook ooit stambomen met negen keer “Kleine Dirk” op de stamkaart, maar de eigenaar kon amper papier raken. Dat is het ook niet, dacht ik bij mezelf. “Inteeltdegeneratie”, is me bij gebleven. Dieren worden vatbaarder voor ziektes, bijvoorbeeld. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen. Mijn  elf hobbykippen legden gisteren, zonder bijlichten, nog elf eieren. Het zijn geen raskippen. Die leggen in deze tijd van het jaar in de regel niet. Het is een uitgekiende koppeling van ingeteelde witte leghorn met fokzuivere bruine “Red Island”. Door het heterosiseffect (bastaardsterkte), ontstaat een kruising, met enorme legpotentie. Ze zijn ongeveer vier maanden aan de leg. Ervaring heeft me geleerd, dat ze rond kerst enkele weken niet leggen en dan tweede helft januari de draad weer oppakken. Zeker als het flink vriest, stagneert de leg. Alle bruine kuikens zijn hennen en alle witte kuikens hanen. Dat principe kennen we ook uit de duiventeelt. Onze vale “Janneke” geeft met een blauwe partner vale doffers en blauwe duivinnen, zonder uitzondering. Voor komend jaar liggen de kweekkoppels bij de duiven vast. We zetten bijvoorbeeld een oude kweekdoffer tegen een duivin, die vijf generaties verder van hem afstamt. Ik noemde dat verwijderde inteelt, maar in feite is het een kruising. In de natuur doen kolonies rotsduiven en andere vogels vaak niet anders dan intelen. Broer met zus, halfbroer met halfzus, vader met dochter, enz. De natuur doet zijn werk en wat niet vitaal genoeg is, overleeft niet. De Janssenbroeders werden er groot door. Hun “ras” leek inteeltresistent en in kruising met andere duiven werden er (soms) toppers geboren. We hadden het de vorige keer over het gouden koppel van Karel Meulemans. Dat is een goed voorbeeld van kruisen met “Janssen-A”. Voorlopig gaan we experimenteren met “verwijderde inteelt”. Zoekend naar de voordelen van intelen en kruisen, zonder “inteeltdegeneratie”. Duivensport blijft een zoektocht en iedere vogel zingt zijn of haar eigen lied.

Groenlof

In de tuin heb ik volop groenlof. Het is rauw als salade mijn favoriete groente. Het is in de herfst en winter een bijzonder renderend gewas. Je kunt het, mits het niet te hard gaat vriezen, oogsten tussen half oktober en half februari. Ik heb nooit begrepen, waarom sterrenrestaurants deze groente nog steeds niet ontdekt hebben. Trouwens ook in de supermarkt zag ik nooit groenlof. Heb een zelf bedacht recept bijgevoegd. Kippen en duiven eten de schutbladeren trouwens ook. Gemakkelijk biologisch te verbouwen, zonder luis of ziektes. Voor mij is groenlof in de herfst en winter mijn uitgesproken favoriet. Sinds ik groenlof verbouw, is andijvie voor mij bijna een “vergeten groente”. Andijvie is kortstondig oogstbaar, gevoelig voor nachtvorst en voor “smeul” en met minder opbrengst en smaak. Het recept voeg ik toe “op hoop van zegen”.  Eet smakelijk!  ( wordt vervolgd)


Groenlofsalade (favoriete salade in herfst en winter van Freek)

Smaakt overheerlijk en fris bij bijna elk gerecht. Groenlof is eventueel ook gestoofd te eten, als andijvie en rauw gestampt, maar is als rauwkost echt een delicatesse!

Bereiding: Deze groenlof komt vers van het land en is biologisch geteeld. De bladeren aan de basis verwijderen en afspoelen en vooral de middelste, botergeel gekleurde bladeren zijn super. Maak een opgerolde bundel en zo fijn mogelijk snijden, zoals witlof- of andijviesalade. Besprenkel met citroensap en meng de salade voor de eerste keer. Maak een saus naar eigen smaak. Ik gebruik knoflook/yoghurtsaus en voeg een eetlepel gesneden bakgember toe. Voeg dit toe en roer goed om. Walnoten zijn een gedroomde combinatie met groenlofsalade. Een echte smaaksensatie! Op smaak maken met gesneden bieslook/ uitjes, Gesneden peterselie past er goed bij, uiteraard een gesneden gekookt eitje en decoreer, indien voorradig, met bloempjes van OostIndische kers. De salade kan gerust een half uur staan en komt zo goed op smaak. Groenlof verlept niet zo snel. Het is verslavend lekker en gezond!

Groenlof zaai je in de laatste week van juni, na de langste dag. Als de plantjes plm. 10 cm. hoog zijn uitplanten. Oogsten vanaf tweede helft oktober. Groenlof is door de grote schutbladeren bestand tegen lichte tot matige vorst. In een zachte winter kun je van oktober tot februari genieten van verse en overheerlijke salade uit eigen tuin. Daarmee heeft groenlof een groot rendement en is ze als verse en smaakvolle vitaminebron in donkere tijden echt uniek!

Groenlof is een relatief onbekende groente. Ten onrechte! Onbekend maakt onbemind. In de supermarkt zag ik ze nooit. In herfst en winter is het een unieke groente. Rond kerst eten we het steevast als salade. Verder zeer regelmatig als frisse salade bij spruitjes bijvoorbeeld, maar eigenlijk smaakt het bij vrijwel elke wintergroente. Voor mij is groenlof wat “Bohemian Rhapsody” is voor de top 2000!  Sterrenrestaurants zitten in mijn ogen te slapen en weten niet wat ze missen.

Op hoop van zegen (18)

Op hoop van zegen (18)

Stamduiven

Het is somber buiten, José gaat aanstonds naar de bootcamp en de klok is een uur teruggezet. Een mooi moment voor nummer achttien. In deze bijdrage wil ik het hebben over stamduiven. In mijn jonge jaren maakte Karel Meulemans furore met een fameus stamkoppel. “Oude VandenBosch” x “Janssenduivin”. Karel Meulemans schafte in 1961 vijf duiven aan bij diamantslijper Jos VandenBosch uit Berlaar. De doffer van het stamkoppel was een donkergeschepte witpen, die gefokt was uit een “chocoladebruine”. Deze bijzondere kleurslag wordt ook wel sierduivenrood genoemd en heeft niets te maken met de postduivenrode kleur, die we allemaal kennen. De duivin van het stamkoppel kwam van Adriaan Wouters, de toenmalige compagnon van Karel Meulemans. Adriaan Wouters was een topspeler en grote concurrent van de befaamde gebroeders Janssen van Arendonk. Hij noemde zijn ingebrachte duivin “Janssenduivin”. De origine van de duivin van het stamkoppel bleef altijd in nevelen gehuld. Feit is, dat er geweldige jongen kwamen uit het basiskoppel. De gehamerde (genopte) “Kadet” was nationale asduif en de “Merckx” won zes eersten als jaarling. Uit het basiskoppel kwamen nooit chocoladebruine duiven. De “Janssenduivin” had  het gen niet en het moet voor die kleur van twee kanten komen. In de jaren zeventig waren de Meulemansduiven erg populair, ook in Nederland. De roem was echter niet consistent. Het was blijkbaar moeilijk, om het niveau van het stamkoppel vast te houden in de nazaten. Karel zelf schakelde al vrij vlot over naar de overnachtfond en bracht andere (fond)duiven in. Hij is van hetzelfde geboortejaar als Hans Eijerkamp en inmiddels negentig jaar oud.

Droom

Het ontdekken van een stamduif of stamkoppel, heeft me altijd gefascineerd. De inleiding over het beroemde stamkoppel van Karel Meulemans was mede bedoeld om duidelijk te maken, hoe moeilijk het is om het niveau over meerdere generaties vast te houden. In het vorige decennium viel mijn oog op de prestaties, op de dagfond, van Hans Hak uit Maurik. Hans speelde ijzersterk met duiven, die in hoofdzaak afstamden van zijn “stammoedertje”. Origine Braad-de Joode. Vooral in combinatie met “Vechter”, kwamen er uitstekende nazaten. Ik bezocht Hans enkele malen. Een hardwerkende no-nonsense bouwvakker, die een eigen stammetje had opgebouwd met in hoofdzaak nazaten van genoemde duiven. Het is de kunst, om tijdig gelijkwaardig en passend kruisingsmateriaal te ontdekken. Het gouden basiskoppel is passé en nu komt het er op aan om een nieuw “stamkoppel” te ontdekken. Hans Hak is een gedreven duivenspeler en ik gun hem dat geluk.  De tijd zal het leren. Het ontdekken van een “gouden stamkoppel” blijft voor veel liefhebbers een droom.

Topduiven

Toen ik in 2009 herstartte, na acht duifloze jaren, wist ik hoe moeilijk het is om een presterend stammetje te formeren rond een stamduif of stamkoppel. Ik had “Axel”, een winnaar en 1e asduif en een jaar later wonderduif “Garfield”. Deze duif werd elf keer gespeeld en won elf prijzen. Dat is leuk, maar daar trek je nog geen volle zalen mee. Op zijn allereerste vlucht vanaf Lommel, won hij de eerste prijs tegen bijna 5000 duiven met vijf minuten voorsprong op de tweede duif. Ik dacht, dat hij ontsnapt was, maar wist spoedig beter. In totaal won hij vier eerste prijzen, waaronder een 1e  Chimay tegen 3784 oude en jonge duiven en een 1e Etampes provinciaal in de N.C.C. Oost Nederland tegen de allersterkste liefhebbers. Hij won de auto in de Ponderosa Vrienden Club (nationale competitie) van Eijerkamp en werd 1e Wereldkampioen Versele Laga. Een betere is nauwelijks denkbaar. “Garfield” had een prima stamkaart. Aan vaderszijde het beste van Bertie Camphuis (“Autowinnaar ’01”  met “Wonderboy 05”) tegen een dochter van “Witpen ‘75”, de legendarische stamdoffer van Cees Suijkerbuijk en volle broer van “Oude 05” van Camphuis. De broer van de vader van “Garfield” won voor Jan Suijkerbuijk 10 eerste prijzen. De moeder van “Garfield” was een dochter uit het beste koppel, dat Henk Gerritsen uit Wenum Wiesel ooit kortstondig bezat. De ’10 (overwegend Meulemans) x de ’20 (schalie Hubregtse). Henk had in korte tijd vier topzonen uit dit koppel (o.a. 1e as afdeling). Toen de waarde van het koppel aan het licht kwam, was de ’10 verspeeld!  “Garfield” was een duif met louter topduiven in het voorgeslacht en hij bouwde als jonge duif een nauwelijks te evenaren erelijst op. Achteraf had ik graag met hem willen kweken, maar hij werd verkocht aan Eijerkamp en verhuisde al snel naar China. De “Axel”, die ik op een bon verkreeg van Jan de Visser (Visser-Lensen) uit Axel, was in 1996 onze uitblinker. Zijn vader was 2e prov. asduif dagfond. De titel 1e asduif N.C.C. voor “Axel”, kwam dus niet uit de lucht vallen. We kweekten enige jaren uit hem, waarbij het lastig bleek een passende partner te vinden. Uiteindelijk werd hij verkocht, toen we in 2001 stopten. Bij de herstart in 2009, wist ik dus uit ervaring hoe moeilijk het is, om uit een topduif jongen te fokken van hetzelfde kaliber als de ouderduif. Toch blijf je het proberen. “Jurriaan” verkregen we van Martin & Joke Geven. Hij werd 1e asduif GOU. Dat was een grote verrassing. Vol goede moed probeerden we nazaten van hetzelfde niveau te fokken uit onze kersverse asduif, maar dat werd een teleurstelling. In 2012 fokte Albert “Texas Homer”. Zijn afbeelding kwam op de nieuwe, zwarte M.A.N. van broer Henk. We schaften een “passende duivin” aan voor hem, maar andermaal lukte het niet om goeie nazaten te fokken, die in de buurt kwamen van hun illustere vader. In 2016 hadden we “Marga”. Eerste asduif GOU. Deze duivin vloog zeer regelmatig goede prijzen, maar nooit echt aan de kop. Ze zat met een andere duivin in een driehoeksverhouding met een doffer, die het werk overliet aan zijn twee jaloerse vrouwtjes. “Marga” was wekelijks tot het uiterste gemotiveerd, maar deze toevallige omstandigheid is geen erfelijke kwaliteit. Wederom een teleurstelling in de kweek! In 2018 bracht Bram andermaal een mooie verzameling testduiven in. Hier in Appen rendeerden de “Brammetjes” prima en dat resulteerde in 1e, 2e en 3e asduif kring. De 1e asduif bracht niets noemenswaardigs in de kweek, de 2e verongelukte als jaarling en de 3e asduif ….  gaf ons hoop. Op het vale duivinnetje, “Janneke” genoemd, kom ik straks terug.  In 2019 hadden we “Appie Derks”. Door Bram gekweekt. Eerste asduif jong midfond in de kring. Geen “pointeur”, wel een mooie duif in de hand en regelmatige prijsvlieger. Verhuisde naar Bram. Kwam op een prijsvlucht in Engeland terecht, maar keerde op eigen kracht terug. Als kweker een vraagteken, want in ons duivenbestand komen zijn nazaten niet voor. Dan komen we in 2020. Het jaar van “Olympic Frank” en zijn nestbroer “Teletekst Henk”. Ik heb hier eerder over geschreven. Topduiven zijn meer dan eens “toevalstreffers”. Bij de asduiven speelden de nestbroers geen rol. Twee kinderen van eerder genoemde “Janneke” deden dat wel.

Janneke

Deze vale duivin van 2018, zat in de ploeg die Bram dat jaar afleverde. M. Driessen uit Didam, werd in 2016  aangewezen nationaal kampioen dagfond. Hij dankte die titel vooral aan zijn vale “Jan”. Deze doffer won 1e NPO Bourges tegen 1841 duiven en 7e NPO Salbris tegen 2589 duiven. Bram droomde van dagfond en haalde in 2017 bij Raymond Jonker de vale ‘306 op een bon. Een kleinkind van “Jan” van M. Driessen. Op de stamkaart staan verder 1e Nat. Sens tegen 5656 duiven, en 4e  NPO Chateauroux tegen 3120 duiven. De allereerste en tevens allerlaatste jongen uit de vale ‘306 verhuisden naar Gietelo. De doffer stond tegen een duivin van Bram uit de lijn van “Bartoli” van Eijerkamp, “Jolie ‘245 en “Blauwe Diamant” van Ferry van Loo.  De ‘306 ging in het voorjaar van 2018 verloren, zonder verder een spoor achter te laten in het duivenbestand van Bram. Veel vertrouwen had ik derhalve niet in de twee jonge vaaltjes. Vooral toen het doffertje al spoedig verloren ging bij het africhten, was de verwachting over zijn vale nestmaatje nul komma nul.  Het vale duivinnetje bleek een blijvertje. Hoewel ze tot twee maal toe haar partner kwijt raakte, scoorde ze zeer regelmatig haar prijs en werd 3e asduif kring, achter twee hokgenoten. Meteen als jaarling gaf ze een blauwe dochter, die een eerste speelde in de kring, gevolgd door nog een eerste in de kring een week later. Daarbij zat ook een eerste in de regio. Reden, om “Janneke”  in 2020 andermaal tegen dezelfde doffer te koppelen. De eerste twee jongen in 2020 werden meteen 3e en 7e asduif in de kring. Dat was het begin.

Brutus

Deze stoere doffer kwam als eitje in 2017 via Eijerkamp. Een kleinzoon van “Ché”, van “Nieuwe Olympiade” en van “Celena” ( 1e NPO Peronne 14.253 duiven, 3e NPO Orleans 5783, 11e Nat. Blois  tegen 17.591, 19e NPO Tours 2.956, etc.) en in rechte lijn nazaat van “Don Leo””, “Chicago” en  “Miss Saigon”. Op papier een topper. Als jaarling op overschot en daarna in 2019 met “Janneke” vader van tweevoudig eerste prijswinnaar kring/regio en in 2020 van twee asduiven. “Brutus” mocht blijven! Eigenlijk dacht ik op dat moment niet aan een stamduif of stamkoppel. Ik was al te vaak teleurgesteld en inmiddels de 65 levensjaren gepasseerd, zonder dat ik ooit het voorrecht van een stamkoppel mocht ervaren. “Brave”, de zoon van “Brutus”en “Janneke” was dus 7e asduif kring. Een uiterst rustige doffer.  Als jaarling gaf hij meteen “Ernst” in 2021 (1e asduif kring). Die gaf op zijn beurt in 2022 “Cor van Gogh”. Een geweldenaar met 5e regio, 3e regio, 1e regio en een week later andermaal 1e regio en 1e  GOU Noord. Tevens 1e asduif kring. Nu begon ik me te realiseren, dat “Brutus” en “Janneke” kweekpotentie hebben. In 2023 gaf “Cor” op zijn beurt de 4e en de 5e asduif kring en daarmee hebben we met “Brutus”, “Brave”, “Ernst”, “Cor” en “Frederik” in relatief korte tijd vijf doffers , die in rechte lijn afstammen van elkaar met “Brutus” en “Janneke” als betovergrootouders van de jongste generatie asduiven. Het is leuk, als je een eigen stammetje ziet ontstaan. De kunst is, om niet achteruit te boeren. Vaak ben je als liefhebber verblind en zie je die achteruitgang te laat. Het is de kunst om passende duiven te vinden, die het niveau op peil houden. We beschikken over twee duivinnen van Albert Roording.  “Samba” is de eerste echt goede nazaat, die Albert attendeerde op de bijzondere kweekwaarde van de ouders en de tweede  kwam hier als  testduif. Een dochter uit Blitzkoppel 1 en één uit Blitzkoppel 2. Nieuwe inbreng kwam er andermaal via Eijerkamp. Wijlen Joke Geven speelde daar destijds een rol in. De WdB-duiven, al dan niet in kruising met Leideman, kwamen in 2020 van het hok van Joke. In latere jaren gevolgd door eitjes van de kwekers boven, waarbij Hans een sleutelrol speelde. Morgen, maandag 28 oktober, zou Joke zeventig jaar geworden zijn. Ze stierf op haar zevenenzestigste verjaardag, nu drie jaar geleden, veel te jong.

Toekomst

Bij het samenstellen van de kweekkoppels zetten we de basis tegen andere bloedlijnen. Overwegend kruisen we. Bewezen (as)duiven en eersteprijswinnaars houden we hoog in het vaandel. Het zijn de duiven, die aangetoond hebben in de GOU, bij onze manier van verzorgen, te renderen. Op beperkte schaal kiezen we voor verwijderde inteelt.  “Brutus” wordt gekoppeld aan een duivin, die vijf generaties verder van hem afstamt. Zoals “Janneke” gezet wordt tegen  “Jan”, een zoon van “Cor van Gogh” en dus verre nazaat van haar. Verwijderde inteelt. Ook dat hoort bij stamvorming. Nu al weten we, dat de meeste koppels, waar je hoge verwachtingen van hebt, zullen teleurstellen. Dat is het lot van elk kweekkoppel. Je hoopt op een topper, bent tevreden met een paar bruikbaren en stelt vast, dat er ook meerdere nietsnutten het levenslicht zagen. Veel verwacht je ook van nieuwe aanwinsten, of van zwaar ingeteelde duiven uit je allerbesten. Meestal halen de nieuwe aanwinsten niet het vereiste niveau en blijft het heterosis-effect bij de zwaar ingeteelden in kruising uit. Duivensport is een zoektocht. Een loterij met veel nieten. waarbij je veel moet kappen. Ook en misschien juist, als je aan stamvorming poogt te doen. (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (17)

Op hoop van zegen (17)

Ferry

Op de Habru-dag ontmoetten we o.a. Ferry van Loo. Twee dagen eerder was ik met José in Theater Hanzehof in Zutphen bij een optreden van “the Doors”. Een tributeband weliswaar, want van de originele Doors leven de twee belangrijkste leden niet meer, maar deze band kwam heel dicht bij het origineel. Waarom het bruggetje naar de muziek?  Ik vergeleek Ferry in het verleden met Eric Clapton. Niet met Jim Morrison, die tot de “club van 27” behoort. Het sluike haar, de oogopslag, een beetje dezelfde uitstraling als Clapton. Ferry weet dat al jaren en moest er om glimlachen. Je kunt met mindere goden vergeleken worden. Afgelopen zaterdag zagen we een geheel andere Ferry en moest ik denken aan “the Kinks” met hun “Dedicated follower of fashion”. Ook een beetje kapper en visagist Leco van Zadelhoff.  Modieus jasje, wit colbert, strak kapsel. Clapton was ineens ver weg. Ferry is van januari 1952. We zijn van hetzelfde bouwjaar en er is wederzijds respect. Zijn hele leven speelt hij al met duiven. Vroeger in de stad was dat met name vitesse en later, toen hij met zijn vrouw Hannie hun kapsalon vestigde in stadsdeel de Hoven, ging het richting dagfond. Een gedreven liefhebber, die kijk heeft op duiven en overal waar hij zich vestigde successen kende met de duiven. Ooit nationaal dagfondkampioen!  Ferry is gedreven en behoorlijk manisch en dat leidde ertoe, dat hij geestelijk in de knoei kwam met zichzelf. Dat is een publiek geheim. Ooit, het zal ongeveer rond 2010 geweest zijn, zei hij jaloers te zijn op mij. “Jij blijft altijd rustig, ook als de vlucht wat minder verloopt. Ik wou, dat ik dat kon”. Ik haalde mijn schouders op, toen onwetend van de depressieve fases in zijn leven. Op zeker moment had Ferry zelf geen duiven meer, maar ging hij andere liefhebbers begeleiden. Duivencoach of hokverzorger, vul het zelf maar in. Wijlen Jan Rademaker speelde altijd al zeer verdienstelijk met jonge duiven en ineens blonk hij uit op de dagfond. Ferry speelde enige tijd een belangrijke rol bij Jan, kwam er dagelijks en dat was aan de resultaten te merken!  Afgelopen zaterdag, vertelde hij financieel uitgekleed te zijn door een “vriend”, die geen vriend bleek te zijn. “Ik zat behoorlijk aan de grond, maar oud-clubgenoot Marcel Sangers reikt me de helpende hand. Zijn hokverzorger is weg en ik ga voor Marcel aan de slag op de dagfond”. Fijn voor hem, dat er weer licht gloort aan de horizon! Ferry is een echte melker en als hij met zichzelf in balans is, kan hij grootse prestaties verwezenlijken, want hij is een op en top vakman!  Succes, “Slowhand”!

Peter

Hem kwam ik een dag later tegen in het clubgebouw van mijn vereniging. Wilco Zeiss, Paul van Putten, Hans Munstege, de vrijwel blinde Eggo Haverhoek en zijn vrouw en een wat vermoeid ogende Peter Voskamp. Leuk, dat de Deventer vertegenwoordiging aanwezig was!  Barman Hans Boveree, had het rustig en dat was voor mij een mooi moment om een rondje in te doen voor mijn tafelgenoten. Iedereen had dorst, behalve Peter. “Je wil toch nog wel van me drinken, Peter?” Hij zat wat voorover gebogen en pips te kijken en ik begreep, dat hij niet fit was. Peter was ooit lid van onze vereniging, samen met vader John. Later verhuisde hij naar Deventer. Hij had de pech, dat hij ernstig ziek werd. Iets met zijn schildklier en behoorlijk ingrijpend, waardoor hij zelfs afgekeurd werd. Niet fit zijn en toch naar je oude club, dat tekent de echte liefhebber. Ook oud-lid John Romein zat aan de bar. Hij balanceerde een tijdje op het randje met zijn gezondheid, maar zag er slank en herboren uit. Mooi, want je gunt elke duivenmelker het beste. Deze week plaatste Albert een stukje op de verenigingsapp. “We hadden zondag een belangrijke gast in ons midden, want Peter Voskamp (44) won een bekende one loft race in Kroatië. Vier mee en vier prijs!”  Reden voor mij om Peter te bellen en te feliciteren. De laatste jaren, zag je de prestaties van Peter steeds beter worden. Een eigen stammetje duiven, geen moderas en gaandeweg steeds beter op de dagfond. We hadden het over een bepaalde duif, waar Peter oren naar heeft. Als een goeie duif verhuist naar een goeie liefhebber, komen daar referenties uit!  Hij heeft de gun-factor! Peter behoort tot de top in Deventer en bewijst met zijn prestaties op de one loft races, dat hij op de goede weg zit.  Met een jong gezin en gezondheidsproblemen, bewijst hij een echte liefhebber te zijn, die stoïcijns zijn eigen plan trekt. Nogmaals gefeliciteerd Peter en bedankt voor je bon!

Henk

Van  Voskamp naar Voskes is precies een verdubbeling in jaren. Twee keer 44 is de leeftijd van Henk Voskes uit Raalte en tegelijk met Sinterklaas hoopt hij in december de 89 te halen. Heel erg verknocht aan het leven is hij niet meer en dat is geen goed teken. Henk bleef zijn hele leven vrijgezel. Bracht samen met zijn broer moeder aan haar eind en woont al vele jaren, sinds het overlijden van zijn broer, alleen in het buitengebied. Voor Henk heb ik altijd sympathie gehad. Een uiterst bescheiden en eenvoudig mens en een duivenmelker pur sang van een uitstervend soort. “Het leven wordt er niet leuker op. Al mijn duivenvrienden van weleer zijn overleden. Joop Neppelenbroek, Antonissen, Rob Hesselink, Jantje te Wierik en Harm Tuten, die mij jarenlang ophaalde, als we gingen inkorven. Mijn gezondheid gaat steeds verder achteruit en ik sta ingeschreven voor een verzorgingshuis. Het kan maar zo zijn, dat ik mijn laatste vlucht gespeeld heb”.  Het afgelopen jaar speelde Henk nog een eerste prijs in de club en een “volle bak” op de dagfond. Daar is hij fier op. Ooit was hij succesvol met een aanvlieger. Een Belg. Een duif van niemand minder dan Flor Engels!  Vele tientallen jaren was hij een gewaardeerd  en succesvol lid van “de Postduif” in Raalte. Een vereniging , die vecht voor haar bestaansrecht. Nu een monument als Henk Voskes de pijp aan Maarten dreigt te moeten geven, moet ik van weemoed slikken. Niks is eeuwig. Henk, ik hoop, dat je nog een goeie tijd mag beleven op je toekomstige plek. Ik weet ook, dat het verplanten van oude bomen vaak tegen valt, maar hoop dat het jou nieuw elan geeft.  Het allerbeste, duivenvriend Henk! Bij leven en welzijn, komen we elkaar in Raalte tegen.

Pedigreeduiven

Enkele dagen geleden had ik twee verschillende liefhebbers op het hok. De één keek met vorsende blik en wees na lang zoeken een duif aan. De ander keek nauwelijks naar de duiven, maar wilde de map met stamkaarten inzien. U mag raden, wie van de twee bij de kampioenen bivakkeert.  Deze laatste gaf me een knipoog, toen zijn maat begon te kwijlen bij het lezen van de stamkaarten. Hij wees hoofdschuddend naar zijn voorhoofd. Ik knikte begripvol. Albert zette op de clubapp een fragment uit mijn vorige bijdrage. Het ging over de uitspraken van Arnold Paalman. “Wij willen de duiven die het snelst van A naar B vliegen. Dat zijn vaak duiven, die als ze de volgende dag voor tien uur niet thuis zijn, nooit meer thuis komen. Je hebt ook liefhebbers, die op de uitslag niet opvallen. Ze hebben wel duiven, die bij rotvluchten met de jonge duiven, uiteindelijk thuis geraken”. Met woorden van deze strekking gaf Arnold het verschil aan tussen, naar wat ik noem, “pedigreeduiven” en “boerenduiven”. Welke duiven willen we? Albert zette het op de clubapp en onze jeugdige voorzitter Sven reageerde. “Ik ga voor de tweede groep”. Sven heeft ambitie voor de fond en vindt het minder snel zijn op het korte werk als jonge duif minder belangrijk. Ik reageerde ook. Ik ga voor de snelle duiven, maar wil ook dat ze thuis komen, als ze het moeilijk hebben. We hebben het in feite over sprinters en survivors. De uitdaging is om snelheid te koppelen aan hardnekkige taaiheid. Op eigen hok letten we er wel op. Van de zes jongen van “Janneke”, die aan de eerste vlucht begonnen, haalden er zes de eindstreep. Dat is een pluspunt. Onze eerste asduif dit jaar in de club (‘920) stamt uit haar, net als de eerste asduif jong vitesse in de kring van José (‘991). Ook de referenties van de afgelopen maand (Sando, Raymond, Jan & Stijn bijvoorbeeld) stammen uit “Janneke” en als er uit het buitenland iemand telefonisch onverstaanbaar brabbelt, is het enig verstaanbare “Moffilo”/ “Janneke”. Ik moest lang nadenken, toen viel het kwartje. “Kleinzoon Murphy’s Law”, stond een periode tegen ons stammoedertje. Op de één of andere manier kweekt deze duivin goed door in meerdere generaties met meerdere partners. Ik zei het in mijn vorige blog: ik ben gek op pedigreeduiven en genenstapeling van nationale toppers en Olympiadeduiven. Maar …. nog gekker ben ik op duiven met bewezen kweektalent. “Brutus” is onze stamdoffer en met zijn duivin “Janneke” staan ze aan de basis.  “Brave” is hun zoon. “Ernst” hun kleinzoon, “Cor” hun achterkleinzoon en “Frederik” is weer de zoon van “Cor”.  Allen overleefden de vluchten (survivors) en allen plaatsten zich bij de asduiven in kring of regio (snelheid). We koppelen deze duiven weer aan het beste van nationale topliefhebbers en proberen zo snelheid en hardnekkigheid vast te leggen. De mand is ten allen tijde scherprechter en bepalend!  De stamkaart is pas van waarde, als de duiven kopprijzen winnen of asduiftitels. Duiven met een erg voorname en kostbare stamkaart, zonder bewezen kweekwaarde, redden hun kop soms dankzij hun afstamming. Waarschijnlijk is het uitstel van executie, maar als ze goed hun best doen, zijn ze goed genoeg om als voedster te dienen. Wie blind vertrouwt op mooie stamkaarten en dure namen, zonder keiharde bewijzen op eigen hok, wordt of blijft een nobody in de duivensport.  (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (16)

Op hoop van zegen (16)

Habru-dag

Afgelopen zaterdag bezochten Sander en ik de Habru-dag in Doetinchem. Je ontmoet er vrienden en kennissen uit den lande en steekt er misschien iets op. Ook lever je een bijdrage aan de vrijwilligersorganisatie “Bergh in het zadel” voor de kankerbestrijding. Drie vliegen in één klap. Hans Bruns, de man achter Habru, is iemand met visie. Bezoekers zien de kwaliteit, die het bedrijf levert op het gebied van aluminium rennen en aanverwante constructies. Er wordt gewerkt aan naamsbekendheid en het onderhouden van klantrelaties en er wordt een gezellige duivendag georganiseerd en gefaciliteerd, die een flink bedrag oplevert voor het goede doel. Je ziet Hans aan de microfoon, je ziet hem voor en achter de schermen druk bezig. Iemand , die alles met zijn mensen tot in detail voorbereidt en in goede harmonie wil laten verlopen. Habru en duivensport vormen een goede combi en zijn een prima uithangbord voor ons imago!

Forum

Het forum is de ruggengraat van de duivendag en de samenstelling van het forum kan de dag tot op zekere hoogte maken of breken. Over de 14e duivendag van Habru kan ieder zijn mening hebben, maar één ding is zeker. Het forum was spraakmakend! Het begon al, toen forumleider Hennie La Grouw, met sappige Amsterdamse tongval, de forumleden vroeg zich voor te stellen. Links op het podium zat Kurt Platteeuw uit Rumbeke. Hij zat er stoïcijns en al na twee minuten wist je: dit wordt leuk. Volkomen op zijn gemak, pakte hij de microfoon en werd één met de zaal. Hij begon over zijn schoenenbranche, de wielersport en het woord duif was nog amper gevallen, toen de forumleider hem onderbrak. Het moest over de duivensport gaan en de andere forumleden moesten zich ook voor kunnen stellen. De toon was gezet. Onverstoorbaar zette Platteeuw zijn relaas voort. Je voelde: dit is een geboren entertainer, een conferencier, die moeiteloos een one-man-show van anderhalf uur kan vullen. Hij vertelde, dat hij en zijn vader ook mindere jaren kenden in het verleden. Dat ze gewoon doorsnee waren. “We keken nooit op geld en lieten rustig twee of drie dierenartsen komen. Bon .. zo’n dierenarts heeft ook kinderen en moet ook monden voeden. Een visite van 60 euro, potje A van zeventig euro, potje B van tachtig euro en zo verder”. Ondertussen schoof hij beeldend met de glazen en attributen op de tafel om zijn verhaal kracht bij te zetten. “Wij hadden pedigree-duiven en medicijnduiven en toen zijn mijn vader en ik het roer gans gaan omgooien. Wij gingen al onze duiven wekelijks inzetten op alle disciplines met de nadruk op de 45 nationale vluchten. Met duiven van Pol en Peer, met goed voer en oliën”. Platteeuw voelde als doorgewinterde schoenenverkoper, dat hij de aandacht had van de zaal. “Wij hadden specialisten met rookpotten op de hokken, mensen met wichelroedes, die verstand hadden van aardstralen en lieten niets aan het toeval over. Bon”. Intussen had La Grouw als ras-Amsterdammer en bepaald geen muurbloempje, ook kans gezien de andere forumleden aan het woord te laten. Arnold Paalman, in dienst van de familie Eijerkamp en sinds enkele jaren terug op het ouderlijk nest in Laren, is inmiddels door de wol geverfd. In de kern bescheiden, maar open en eerlijk genoeg om zijn zielenroerselen bloot te geven. “Zelfs als we een kettinguitslag maken en de top 10 op afdelingsniveau oprollen, kan ik amper genieten. Ik bekijk ’s avonds na de vlucht elke duif van top tot teen. Is ie gewond, is ie diep gegaan, enz. Dat is behoorlijk maniakaal bij mij en ik ben dan al weer bezig met de voorbereiding van de volgende vlucht. Duiven trainen in Laren in het vliegseizoen twee keer daags in totaal makkelijk tweeënhalf uur en ze krijgen ruim en goed te eten en draaien op medisch vlak mee in het regiem van de familie Eijerkamp. Vanwege de grote verliezen bij de jonge duiven, spelen we de junioren op de natour. Ik ben vrijgezel en hoef geen rekening te houden met partner of kinderen. Ik kan me helemaal op de duiven storten thuis en tijdens kantooruren bij mijn werkgever in Brummen, al gaan we daar flexibel mee om, als de situatie er om vraagt”. Probeer te genieten, Arnold. Je hebt het vertrouwen, hebt het vakmanschap en hebt het de laatste jaren bewezen. Tijdig ontspannen en genieten, anders hou je het op termijn niet vol, is mijn meelevende gedachte.

Schaduw

Als je in een team een sterspeler hebt, dreigen medespelers soms in het gedrang te komen. Die worden dan onderbelicht. Patrick Noorman uit Zeeland is een opkomende duivenspeler en enthousiaste onderwijzer. Een man, met een goed verhaal, die jongeren en mensen in zijn omgeving kan enthousiasmeren en inspireren. Ik ga niet alles samenvatten, anders blijven de lezers van mijn blog op de 15e Habrudag thuis om de samenvatting te bekijken en dat is niet de bedoeling. Ulrich Lemmens was de vervanger van dierenarts Stijn Rans in het forum. Soms zijn er op het laatste moment omstandigheden, die een optreden belemmeren. Ulrich Lemmens is een Belgische profspeler, die van zijn hobby zijn beroep gemaakt heeft. Je kunt hem om een boodschap sturen! De vier forumleden vormden samen een prima team. Ze probeerden eerlijk en open te zijn over hun doenwijze en slaagden erin om het gehoor in drie bedrijven te boeien. In de finale pakte Kurt Platteeuw de Messi-rol. Hij stelde zich kwetsbaar op en noemde in zijn betoog een datum, die ik niet met zekerheid kan reproduceren. Ik meen, dat het ergens in 2031 moet zijn. “Ik wil 25 nationale overwinningen boeken. Er staan er nu 11 op onze naam. Slaag ik daar niet in, dan moogt U allen met een blik benzine en lucifers naar Rumbeke komen om de hokken in de fik te steken. Ik betaal de busreis”. Dat is straffe taal! Daarmee pak je de aandacht en krijg je de lachers op je hand. Wie de schoen past, trekke hem aan! Bij het verlaten van de zaal, schudde ik Kurt de hand en bedankte hem voor de voorstelling.

S.V.T.

Onze jeugdige voorzitter en jonge vader Sven van Brummen, was de drijvende kracht achter een verkoop van late jongen uit eersteprijswinnaars in ons clubgebouw. ’s Ochtends bracht ik twee duivinnetjes uit twee stamdoffers. De eerste schenking kwam uit een 1e asduif in de kring, die dit jaar bij Sando Verbeek de 1e asduif in zijn vereniging voortbracht. Geschonken op een bon dit jaar. Niet vreemd, dat Sando het zusje kocht. De tweede schenking kwam uit een bewezen koppel, waar al meerdere regiowinnaars uit geboren zijn. De vader is een aparte. We kweken er vier jaren uit en al vier jaar op rij is hij vader (2 keer), of grootvader 2 keer) van een 1e asduif. Voor je eigen club, moet je iets goeds schenken, is mijn visie. Sando wil vooruit en was goed uitgeslapen. Opnieuw sloeg hij toe. “Als ik toch verslagen moet worden, dan het liefst met duiven van mezelf”, dacht ik.

2 in 1

Vlak voor aanvang van de verkoop in Twello gisteren, sprak ik bezoeker Henk Voskamp van p.v. “Zutphen”. Henk is een eenvoudige jongen, die veel van verschillende kloksystemen weet. Ooit had “Steeds Verder” een serieus probleem. Ook Albert wist het even niet meer en dat is heel opmerkelijk. Ten einde raad werd “Henkie” gebeld in de kleine uurtjes en die rukte uit als een brandweerman en uiteindelijk werd de oorzaak van de problemen gevonden. Gouden jongen dus, die nooit te beroerd is om anderen te helpen. Henk was ook in Doetinchem bij Habru. “Ga je t.z.t. mee met de busreis naar Rumbeke? Combineren we met een dagje Natural, duivenmarkt en een vreugdevuur als afsluiting. Dat wordt lachen!” Toen Sven als veilingmeester tien laatjes verkocht had, was er pauze. Ik vertrok, want in Emst moest ik om twaalf uur als mede-organisator zijn voor een middagje forelvissen t.g.v. een verjaardag van broer Ben en mezelf. Door allerlei omstandigheden was dat er nooit van gekomen en nu was het dan zover. Ik ving niks trouwens, maar neefje Sepp had twee forellen en dochter Milou van maatje Sander ving zowaar ook een forel. De blije en trotse gezichten van de gelukkigen maken alles goed. Ook Derk, de sympathieke schoonvader van broer Ben had het naar de zin. Hij verloor twee weken geleden zijn echtgenote na een langdurig en gelukkig huwelijk. Hij kon wel een verzetje gebruiken. Ben zegt het altijd mooi: “Derk is mijn schoonvader, mijn naaste buurman, trouwe supporter en beste vriend”. Dan weet je genoeg. We hadden het leuk samen en sloten ter plekke af met “een vet bekkie” en een koele versnapering.

Pedigree

Ik moet denken aan de woorden van Kurt Platteeuw, die het had over “medicijnduiven” en “pedigreeduiven”. Het afgelopen jaar bezocht ik dierenarts Robert Kasperink enkele malen voor de verplichte enting paramixo-rota. Ook halverwege het jonge duivenseizoen liet ik duiven en mest onderzoeken. “Luizenkampioen” lachte Robert “ en een lichte wormbesmetting in één monster”. Ik nam een flesje “luizendruppels” en een wormkuurtje mee. Ik schaam me ervoor, dat ik beide middelen in de kast zette en ongeopend liet. Ik ben doodsbang voor gif en heb afkeer van medicijnen. In de tuin geen kunstmest en bestrijdingsmiddelen  en op het duivenhok geen medicijnen. Zo heeft ieder mens zijn of haar afwijking. Ik ben er ook niet trots op. “Medicijnduiven” heb ik dus niet. Durf rustig een soepje te trekken van mijn eigen duiven, als ik ze zou slachten. “Pedigreeduiven” heb ik wel. Met dank aan een niet nader te noemen echte vriend, waarvoor ik in gedachten al drie keer een standbeeld heb opgericht. Ik vind het prachtig, als een duif meerdere nationale winnaars of asduiven in het voorgeslacht heeft. De bekende en soms onbetaalbare namen vertoeven op onze hokken. “Kittel”, “Uranus”, “Murphy’s Law”, “Crack ‘19”, “Goed Grijs”, “Jackpot”, “Kleine Dirk”e.a.  Liefst geen verdunde soep. Een dochter of zoon is meestal niet haalbaar, maar met een kleinkind ben ik in mijn nopjes. Ik geloof in genenstapeling. Maar nu komt het. Ik hou van de duivensport als spel. Laat me niet leiden door commercie. Dom in de ogen van velen, maar dat terzijde. We kweken jongen uit de grote namen, maar dat doen we niet eindeloos. Een duif moet zich snel laten zien als jonge duif. Een eerste prijs in de club is leuk, maar eigenlijk niet maatgevend. Drie keer in de top 5 van de regio maakt meer indruk. In 2020 (“Olympic Frank”) en in 2022 (“Cor van Gogh”) hadden we zo’n duif. Raf & Kurt Platteeuw gaan voor 25 nationale overwinningen. Dat is voor ons niet realistisch. Drie keer binnen de top 5 van de regio en dan liefst drie eersten, dat is toch een mooi streven. Maar pin me er niet op vast. Benzine en lucifers thuis laten en er komen ook geen betaalde busreizen naar Gietelo!

Pedigree (2)

Aanvankelijk hadden we kweekduiven en voedsters. Die voedsters waren in het begin kleurrijk. Inmiddels benaderen we de zaken al wat pragmatischer. Duiven met fantastische, waardevolle stamkaarten, die hun kweekwaarde niet snel bewijzen, krijgen een tweede kans als voedster. In de praktijk blijkt telkens weer, dat de duiven die zich in Gietelo hebben bewezen, de meeste kans op succes geven. Proefondervindelijk. Ik streef succes na in de duivensport, geen commercieel gewin. Ik word dit jaar 72, José en ik hebben beiden tot de eindstreep gewerkt en genieten van ons pensioen. Geef niks om dure campers, sportauto’s of statussymbolen. Als je allergisch bent en al meerdere keren de sport hebt moeten staken, dan telt alleen de kern van de hobby en niet de franje. Gezond en gelukkig worden of blijven, dat is het streven. Onze voetafdruk niet onnodig groot maken. We houden beiden van kinderen, maar hoefden onszelf niet zo nodig voort te planten. Centen sparen voor nageslacht is dus niet aan de orde. Terugkerend naar de stamkaarten: alleen wijzelf weten wie de voedsters zijn en wie de kwekers. Het komt dus voor, dat we eieren verleggen naar een voedsterkoppel, waarvan de stamkaarten veel indrukwekkender zijn dan van het kweekkoppel. Een stamkaart telt voor ons pas, als de bijbehorende duif zijn of haar waarde liefst als vlieger en zeker als kweker bewezen heeft. Dan kom ik terug op wijze woorden van Arnold Paalman, in het forum te Doetinchem. Wij kweken uit duiven die heel snel van A naar B kunnen vliegen. Dat zijn vaak duiven, die als ze het moeilijk krijgen op een vlucht, de volgende dag voor tien uur thuis moeten zijn, of je ziet ze nooit terug. Anderen kweken minder snelle duiven, maar wel duiven die vrijwel altijd thuis komen. Waar ga je voor? (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (15)

Op hoop van zegen (15)

Stoppen

In seizoen 2022 kwam kort na aankomst van de duiven op een bepaalde vlucht oud-clublid Theo Boerkamp aangelopen. “Ik was aan het fietsen, zag je woning en bedacht, dat misschien de duiven zouden kunnen arriveren”. Theo was tientallen jaren een trouw lid van “Steeds Verder”. Een generatiegenoot, maar wel iets ouder. Theo zette in de tijd van het handmatig klokken de streepjes op de minutentabel tijdens het afslaan. Hij wist zo precies, hoe laat het concours eindigde. Dat was “zijn ding”. Toen rond de eeuwwisseling de overgang naar elektronisch constateren zijn beslag kreeg, verviel die taak. Theo, vrijgezel en man van vaste rituelen, vond dat jammer. Ook zijn werk in het familiebedrijf “in het vlees” kwam te vervallen. Zijn leven stond behoorlijk op zijn kop. Er ontstond zoveel onzekerheid in daginvulling, op financieel gebied, in woonplek en rondom zijn niet optimale gezondheid, dat hij stopte met de duivenhobby. Dat was wennen voor Theo en voor de club. Gelukkig vond hij na verloop van tijd zijn draai in de veranderde situatie. De duivensport bleef hij op afstand volgen. Jan Bosman, Harrie Wichgers en Rob Wassink zijn drie oud-bestuursleden van de club, die ook op zeker moment stopten met de sport, maar toch op afstand het reilen en zeilen binnen de club bleven volgen. Eens melker, altijd melker. Van achter de computer de uitslagen bekijken, de site van de club bezoeken, de verhaaltjes van Albert in “Voorster Nieuws” lezen en in de wandelgangen, terloops via toevallige ontmoetingen met clubgenoten, informeren hoe het liefhebbers en club vergaat. Iedereen maakte ooit zijn eigen afweging om te stoppen. Jan was een Pietje Precies met de financiën, met Harrie beleefden we van alles in de tijd van de attractiecommissie. Er werden minstens vijftig bedrijven bereid gevonden om een bescheiden sponsorcontract met de club aan te gaan. Het clubgebouw van “Steeds Verder” was net gebouwd en men maakte zich zorgen om de aflossing van de hypotheek. Harrie, in het dagelijks leven vertegenwoordiger en ooit samenspelend met zijn vader Anton, was mijn maatje destijds in de roemruchte attractiecommissie van de jaren negentig. Voetballend met zoon Gerben  tijdens het inkorven en echtgenote Greet achter de bar. Met Greet achter de bar was er altijd muziek en gezelligheid. Harrie zal er met gemengde gevoelens aan terugdenken. Ik ook! Rob was vele jaren voorzitter. Ik volgde hem destijds op. Ook tussen Rob en de club bleef er door de jaren heen altijd een zekere band bestaan. “Steeds Verder” was een stuk van zijn leven en in anekdotes houden we de herinnering levend. Albert was er nauw bij betrokken. Hij was de man die binnen de attractiecommissie de verenigingsuitslag meteen na het afslaan introduceerde en ontwikkelde. De computerfreak en pionier. Dat was toen een revolutie! De sponsorprijzen wekelijks op het nieuwe medium “Kabelkrant”, een jaarlijkse bonnenveiling. “Dat wil in Twello niet”, was de teneur. De werkelijkheid was anders. Cor & Lidwien Hanegraaf , destijds landelijke top met de junioren, Cees Donker, forums. “Steeds Verder” was in die tijd “hot” en er stroomden jaarlijks vele duizenden guldens in de clubkas. In de jaren negentig bloeide de club als nooit tevoren. Daar kunnen alle betrokkenen, ook de oud-leden, met plezier en trots op terug kijken!

Clubliefde

Doordat de club bloeide, aanzien had in sportief opzicht en aan de weg timmerde, kon het clubgebouw uitgebreid worden met een apart inkorfgedeelte. Iedereen was daar blij mee. We hadden ruim zeventig leden! Jan & Corrie van Brummen waren de aanjagers en belangrijkste uitvoerders van dit project. Bouwondernemer Jan van Brummen was niet te beroerd om de handjes te laten wapperen. Clubgenoot Tom Timmermans, die ons veel te vroeg ontviel, wist de kortste weg naar voordelige bouwmaterialen. Voorheen had Jan in zijn bedrijf  de supervisie, haalde orders binnen, voerde overleg en werkte vooral in zijn hoofd. Nu hij gepensioneerd was en het om zijn hobby ging, kon hij zelf weer met de handen aan de slag. Jan was de nestor van een echte van Brummen dynastie binnen de club. Bouwvakkers in hart en nieren, met als hobby postduiven. Zoon Frits en kleinzoon Sven bouwen voort in die traditie. Het clubgebouw staat er inmiddels al weer zo’n 35 jaren. Waar blijft de tijd?

Theo

In het voorjaar van 2023 werd Theo op de fiets aangereden. Het was een bizar ongeval met meerdere toevalligheden en met fatale afloop. Ik schrok , toen ik het hoorde. Afgelopen zomer haalde zijn broer Gerrit ons op zijn e-bike in langs de beek niet ver van de Woudweg in Klarenbeek. Gerrit stapte af. Ooit had hij een zelfstandige slagerij in Twello. Net als Theo bleef hij vrijgezel, woonde met zijn broer en zus onder één dak en …. was een gewaardeerde sponsor van “Steeds Verder”. Toen ik begin jaren negentig Gerrit probeerde te overtuigen om sponsor te worden, maakte hij een grap, die ik niet meteen snapte. “Ik heb eerst in de paardenwereld gezeten en heb er een klein boerderijtje aan over gehouden”, vertelde hij. Ik vatte  zijn verhaal niet en Gerrit zag dat. “Ik was in een grote boerderij begonnen, dus het kostte me alleen geld”, schaterde Gerrit “en nu begin jij over duiven”. Toen ik vijf minuten later weg liep, was het contractje getekend.  José was er bij vorig jaar aan de oever van het beekje en samen spraken we over Theo, het verleden en over koetjes en kalfjes. Dat laatste was hun leven als slager en slachter. Ïk vertelde Gerrit over het bezoekje van Theo op een duivendag in 2022. “Kom volgend jaar gewoon voor aankomst van de duiven. Je bent altijd welkom, Theo”, drukte ik hem op het hart. Het mocht niet zo zijn … Theo was een gewaardeerd clublid en Gerrit Boerkamp vele jaren een gulle sponsor.

Kort

Met Theo had ik al eerder gepraat in voorgaande jaren. Als ik in de voortuin aan het snoeien was en Theo passeerde op zijn fiets, dan stopte hij. “Ik lees al je stukjes en ik volg de duivensport op afstand. Ik heb echter een tip: maak wat kortere zinnen en kortere stukjes. Ik heb soms wat moeite om het te lezen en je moet ook aan eenvoudige geesten  als ik denken”. Daar had hij een punt. “Ik zal aan je denken, als ik schrijf”, beloofde ik hem.  Toen ik afgelopen woensdag kennismaakte met de biljarters in Klarenbeek, kreeg ik instructie van een “ouwe rot”. Deze Tonnie zei het treffend. “Je hebt weinig gebiljart in je leven en weinig aangeleerd. Ik hoef je dus ook niet veel af te leren. Dat laatste is namelijk nog moeilijker dan iets aanleren!” Voor stukjes schrijven geldt hetzelfde. Je hebt een bepaalde manier van werken en een bepaalde stijl. Dat verander je niet van het ene op het andere moment.

Duiven

Precies veertig jonge duiven zitten er nog in de rennen. Ze komen niet meer buiten. De rui zet nu in. Zometeen krijgen ze een bad en morgen weer frisse boerenkool. Afgelopen donderdag hadden we vader en zoon uit Bornerbroek op bezoek. Liefhebbers die pas enkele jaren bezig zijn en nog “leerbaar” zijn. Vol trots toonde hij een diploma. “Vorig jaar waren we vierde in de club en dit jaar derde”. Er is progressie al ging er natuurlijk ook het nodige mis. Met het verduisteren van de junioren was het hok in de nacht totaal afgesloten. Daar hadden ze geen rekening mee gehouden en dat brak hen lelijk op. “Van fouten leert een mens en afgelopen seizoen maakten we op jouw advies kennis met dierenarts Kasperink. Daar zijn we heel tevreden over. Hij heeft verstand van zaken, denkt mee en je gaat er met een goed gevoel naar huis”, aldus vader Jan. Ze kwamen een paar doffertjes tekort, maar dat probleem konden we voor hen oplossen. Twee doffertjes, die het seizoen overleefden, met puike afstamming en beiden een zus die dit jaar 1e asduif werd. Nu weet ik zelf ook, dat de broer van Johan Cruijff niet kon voetballen, maar het geeft enig houvast als het ouderkoppel al iets goeds heeft afgeleverd, buiten de mooie stamkaart om. Gisteren kregen we bericht van een jonge vader, die hier afgelopen jaar een aantal apriljongen afhaalde. De jonge duiven op zijn hok hadden eerst te maken met een paramixo-uitbraak en kregen later coli. Niet een klein beetje, maar het ging gepaard met flink wat dode duiven. Dan is het uithuilen en volgend jaar opnieuw beginnen. Zoiets zit me niet lekker. Ik wil, dat liefhebbers slagen met onze duiven en beloofde een herkansing en garantie bij leven en welzijn. Raymond, ook een herstarter, kocht in 2022 een door ons geschonken jonge regiowinnaar. Dat kun je niet elk jaar doen, maar voor de eigen club doe je een keer gek. Een volle broer van onze “Brave”, die al vier jaar op rij vader of grootvader is van een 1e asduif, waarvan drie keer op rij in de kring.  Het duifje bracht zijn geld op en gaf vorig jaar één jong. Dit vale duivinnetje was zijn eerste duif op de laatste jonge duivenvlucht in 2023.  Raymond hoopvol gestemd en tevreden. Het afgelopen jaar bleef het meevliegen in afd. 9  niet onopgemerkt. Op zeker moment boekte Raymond Ramaker twee afdelingsoverwinningen op één zaterdag!  Nadoen! Eijerkamp-Paalman maakte op de natour een werelduitslag, maar de overwinning kwam niet in Laren, maar in Den Ham terecht. “Ik ben meer dan tevreden en het vale duivinnetje is de beste jaarling van onze club!” Daar kunnen we van genieten. Raymond was in zijn jonge jaren al een goeie jeugdspeler en nu is zijn herstart al meteen een droomstart. Niet dankzij ons, maar voor minstens  99 % dankzij zijn eigen talent, zijn passie en tomeloze inzet. Een beetje geluk helpt, maar dat moet je wel afdwingen! Dan rammelt de deur. De sleutel zit aan de binnenkant en ik hoor José roepen. Ze heeft gesport en ik heb weer een stukje gebaard. (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (14)

Op hoop van zegen (14)

Eerlijk

De één wordt geboren in een koninklijk bedje, de ander in een kribbe. Het bedje van de één staat in een land waar vrede heerst, de ander wordt geboren in oorlogsgebied. Het ene kind baadt in weelde, het andere kind groeit op in armoede. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Eerlijk is het allerminst en zelfs als je geboren wordt in weelde, in een land waar het economisch goed gaat, waar vrede heerst en je de kans krijgt om te studeren, waar ouders om je geven en de liefde overheerst, zelfs dan is er geen garantie, dat je gelukkig wordt. Ik zag in Afrika kinderen, die speelden met een twijg en een kokosnoot en die een grijns van oor tot oor op het gezicht hadden en blij en gelukkig waren met bijna niets. In ons land struikelen veel kinderen over hun trampolines, speelhuisjes, skelters en welvaartspeelgoed. Of ze daar zo gelukkig van worden, dat zie ik er niet aan af. Ook in de wereld van de volwassenen is niet alles eerlijk verdeeld. De één sappelt met een dubbele baan voor een karig loon en leeft bij de gratie van de Voedselbank. De ander trapt tegen een balletje en hoeft na zijn dertigste nooit meer te werken. Ook de inkomsten van “royalty’s”, patenten, erfenissen en grote loterijprijzen zorgen ervoor, dat “geluksvogels” in hun slaap meer verdienen, dan sappelaars met werken.

Verschil

“Verschil moet er wezen”. Door hoogteverschil stromen rivieren. Verschil in inkomen prikkelt mensen om te studeren, om harder te werken. Soms zou je wensen, dat er geen verschillen zijn. Bij een viswedstrijd zit je na loting in een vak waar geen vis zit. De volgende keer zit je in een vak, waar je om de haverklap beet hebt. Van wedstrijdvissers hoor ik de verhalen en dat is geen visserslatijn. In de wielersport is het niet anders. Matthieu v. d. Poel is in zijn element in de klassiekers, maar niet in etappewedstrijden. Ook niet als er veel geklommen moet worden. In de voetballerij zijn er ook verschillen. De ene club smijt met miljoenen, de andere club zit tot de nek in de schulden. We accepteren tot op zekere hoogte de verschillen en weten, dat lang niet alles in het leven eerlijk verloopt, of eerlijk verdeeld is. In onze postduivensport is het niet anders. Het ene jaar is bovendien het andere niet. Vorig jaar kwamen de eerste tien asduiven in onze kring uit het dorp Voorst. Daar waren tenminste twee liefhebbers uit Voorst trots op. Het voorbije jaar zat er slechts één duif uit Voorst in de top 10. In de regio Noord Oost kwamen bij de jonge duiven de eerste twintig asduiven uit één vlieglijn. Epe (3x), Heerde (4x), Wapenveld (4x) en Zwolle (9x). Natuurlijk zitten er aan die kant van de regio goeie liefhebbers en goeie duiven. De lijn Eerbeek, Voorst, Deventer, Raalte kwam er niet aan te pas. Ook Apeldoorn niet. We weten diep in ons hart, dat wind en trek een grote invloed hebben op het verloop van de vluchten. Het ene jaar valt het tegen, het andere jaar valt het jouw kant op. Vaak weet je vooraf al, of je kans maakt op een mooie uitslag, of dat de omstandigheden zo ongunstig zijn, dat een goeie uitslag op voorhand al een kansloze missie is. Gelukkig kan niemand het weer en de wind naar zijn hand zetten!

Reclame

Mijn vereniging houdt op zondag 13 oktober een verkoop van laatjes uit eersteprijswinnaars. Onze vereniging “Steeds Verder” werd in 1930 (crisisjaren) opgericht en in zekere zin zijn het voor veel postduivenverenigingen anno 2024  opnieuw crisisjaren. Stijgende kosten moeten door steeds minder leden opgebracht worden. De baromzet loopt terug en er moet creatief gedacht worden om de begroting rond te krijgen en het hoofd financieel boven water te houden.  In dat kader valt de “gezellige zondagochtend” om 10 uur die dertiende oktober. N.I.C- inkorvers en clubgenoten maken er een erezaak van om uit hun beste duiven iets aan te bieden.  Zelf hebben we geen laatjes gekweekt, maar we bieden twee bevlogen duivinnen. Apriljongen met een L.L.-ring van José. De één heeft een volle zus van dit jaar met twee eerste prijzen (1e kring en 6e kring) en is bovendien halfzus van 1e asduif kring 2021 en 1e asduif kring 2023. Het andere duifje is een volle zus van de 1e asduif “Ons Vermaak” Eerbeek  2024. Deze werd in april op een bon verkregen en kwam bij plaatsgenoot Sando Verbeek tot haar titel tegen serieuze concurrenten als Lorena Gijsberts, Johan Gijsberts/ Marcel Sangers en Johan van Dijk. De vader van dit duifje was zelf 1e asduif van de kring en op zijn beurt vader van de 1e asduif kring 2022. Deze “Cor van Gogh” was een supertalent met achtereenvolgens 5e, 3e, 1e, alles in de regio en als kers op de taart nogmaals 1e GOU Noord. Twee puike duivinnetjes, die ongepaard op het schapje,  het lastige jonge duivenseizoen 2024 overleefden. Ik weet zeker, dat ook de andere schenkers hun best gedaan hebben om op de dertiende (uw geluksdag?) met iets goeds te komen! ’t Is reclame en preken voor eigen parochie, maar 100% voor onze vereniging, op weg naar het 100-jarig bestaan.  Zondag 13 oktober, 10 uur Stinzenlaan 85, Twello.

Stimulans

José is erg belangrijk voor me. Niet alleen heeft ze een aantal duifjes op haar naam, maar ze staat ook achter mijn hobby. Zeurt nooit over de kosten, of over het niet op vakantie kunnen in de zomermaanden en stimuleert me, om andere dingen te doen, naast de duivenhobby. Sinds dit voorjaar train  ik met een groep vijftigers en zestigers in de avonduren bij de fysiotherapeut. Stoeien met fitnessapparaten en circuitjes om ons uit te dagen om fit te worden. Dat bevalt me goed. Je spreekt andere mensen en doet wat aan de conditie. Mannen en vrouwen, die nog gewoon in het arbeidsproces zitten, worden opgescheept met een ouwe knar, die zich staande probeert te houden. Ik geniet en ben trouw op de afspraak. Vanochtend ging ik voor het eerst naar biljarten. Een kennismaking. In mijn studietijd biljartte ik met vrienden in de kroeg en tijdens mijn diensttijd in Bussum (opleiding) en Seedorf (parate tijd als dpl. onderofficier) heb ik ook regelmatig boven het groene laken gehangen. Intussen zijn we een halve eeuw verder en heb ik al die tijd niet of nauwelijks een biljartkeu in handen gehad. Een oud-collega van het Isendoorn College introduceerde me vanochtend. José speelde een stimulerende rol en ik nam de aanwijzingen en adviezen van een senior-biljarter op als een spons. Ik beleefde er plezier aan. Andere mensen, andere omgeving, ik kan het iedereen aanraden om uit de comfortzone te stappen. Het kost me twee avonden per week, want ik heb de behoefte om de dagen vrij te houden voor andere dingen. Na mijn pensionering op mijn 66e, waren er verschillende partijen, die aan me trokken. Het I.V.N. bijvoorbeeld, wilde me laten wilgen knotten met scholieren. Leuk bedacht, maar het is mijn pensionering en je moet je niet overhaast storten in van alles en nog wat. Een paar keer schoffelen en snoeien bij de duivenclub in de zomermaanden, zie ik niet als een probleem. Het bedrijfsterrein van broer Henk van tijd tot tijd onder handen nemen evenmin, maar ik wil niet in allerlei verplichtingen vervallen. Mijn eigen (moes)tuin is een leuke hobby naast de duivenpassie, maar ik wil ruimte houden in mijn agenda. Nu ik wat langer pensionado ben, komen de ideeën vanzelf en anders zet José me wel op het goede spoor. Of zou ze bang zijn, dat ik haar te veel voor de voeten loop? Ik zal U een slag voor zijn!   (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (13)

Op hoop van zegen (13)

Teleurstellend

Zo kijk ik terug op vliegseizoen 2024. Het begon veelbelovend. Als ik de jongen ophaalde van 16 koppels, dan waren dat gewoon 30 of 31 mooie junioren om af te zetten. Geen schiere eieren of duifjes, die het spenen niet waard waren. We kregen niet te maken met adeno/ coli, of andere narigheid en halverwege mei trainden de junioren aan huis als nooit te voren. Steevast wegtrekken en moeiteloos, zonder vlag of kunstgrepen, een vol uur trainen of meer. Daarover geen klagen. De eerste vluchten verliepen van een leien dakje. Een vlucht verviel door code rood. Vervolgens komt het moment, dat je samen met regio NoordWest gelost wordt. Dan krijg je te maken met het probleem, dat ik in mijn vorige bijdrage aanhaalde. Bij het opdoemen van het Veluwemassief, na het passeren van de Rijn, moeten de jonge duiven kiezen: linksom of rechtsom? Gelderse Vallei of IJsselvallei? De GOU is opgedeeld in vier regio’s:  ZO, ZW enerzijds (GOU Zuid) en NO en NW anderzijds (GOU Noord). “Zou het niet logischer zijn om in een lengtefront te spelen?”, vroeg compagnon Albert zich af. “NoordWest met NoordOost, dat is toch hartstikke dom en oneerlijk, als je denkt aan het Veluwemassief en de gevolgen daarvan?” Het zal een praktische reden hebben. De afstand tussen de meest zuidelijke en de meest noordelijke liefhebber in de GOU is hemelsbreed bijna honderd kilometer. Ik bekeek een willekeurige uitslag en zag op Soissons als afstand voor Dreumel 306 km. en voor Genemuiden 401 km. Je hebt te maken met een overlaadpunt in Zuid en in Noord en met een vliegprogramma. Zuid en Noord is dan praktisch. Het zou eerlijker zijn als de duiven in een lengtefront zouden vliegen. De duiven uit ZuidOost en NoordOost, hebben ongeveer dezelfde vlieglijn en hebben in mijn optiek geen hinder van elkaar. Het breedtefront bij een gezamenlijke lossing van Noord met de Veluwe daartussen levert in mijn ogen onnodig grote verliezen op bij de jonge duiven. Uiteindelijk kun je de laatste vluchten wel als totale GOU lossen, want dan is de trekroute/ vlieglijn al beter ingeslepen en hebben junioren meer routine, om bij een navigatiefout toch thuis te geraken, ook al is het uren na de prijzen.

Kring

Een jonge, enthousiaste liefhebber, meldde me trots via de app, dat hij de beste was geworden van Nederland onder de 25 jaar. Ik vond dat een felicitatie waard en een bevestiging van zijn ambitie en talent. Hij haalde zijn eigen prestatie naar beneden, door te wijzen op de beperkte concurrentie in de kring, waarin hij speelt. Ik dacht erover. Zelf speel ik in de kring Apeldoorn-Deventer. Beide plaatsen hebben een mooie duivenhistorie. Apeldoorn heeft/ had het geweldige duivensportcentrum bijvoorbeeld. Daar werden verkopingen gehouden, grote feesten gegeven en hadden een stuk of vijf verenigingen onderdak. Dat is verleden tijd. “Vale Ouwe” huist er als enige nog. Ooit een sterke club met leden als Henk Gerritsen, Gerrit van Looijengoed, Evert Kleiboer, Gerrit Kronmöller, Jo Vermeulen, Siegfried Kummerhove e.a. Nu is het een zieltogend clubje, zoals zoveel postduivenclubs. Ook Deventer heeft een rijk postduivenverleden. “Buiten den Noordenberg”, “Gevleugelde Vrienden”, “Steeds Sneller”, “Ons Genoegen”, “Centrum”, ”IJsselbode”. Het zijn zo maar wat namen die me te binnen schieten. Daar is niet veel van over. Twee verenigingen zijn er nog, maar volgend jaar is dat er nog één: “p.v. Deventer”. Op de laatste vluchten van de jonge duiven werd er in Deventer niet meer ingekorfd. Armoede ten top. De reden: er waren al zware verliezen geleden en men wilde de laatste jonge duiven sparen om volgend jaar nog wat aanvulling te hebben.

C.C.Z.

Eind 1970 werd ik 18 jaar en meldde ik me aan bij “p.v. de Hoven” in Zutphen. In mijn dorp Voorst was in de vijftiger jaren een postduivenclub. Cees Hensbergen en Toon Waanders, tachtigers die nog onder ons zijn, waren er in hun jonge jaren lid. Centrum van de club in Voorst, was het café van kroegbaas Adriaan Kik. Een Belg, die met een Nederlandse vrouw was getrouwd. Er was destijds animo genoeg. Schoenmaker Johan Stukker was er lid en mestselaar Derk Wolters, timmerman Cees Hensbergen, smid Gerrit Smit, Henne Boskamp, de kolenboeren Louis en Gerrit Bertholet, Toon Waanders en zijn neef Toon, Fré Spiegelenberg, Roelof Gijsberts (vader van Johan) en Gerrit Ilbrink. Of schilder Carel van Bosheide lid was in Voorst, dat weet ik niet met zekerheid. De vereniging heeft niet lang bestaan. De duiven moesten aangevoerd worden in Zutphen, waar ze op de trein geladen werden. Men begon vol goede moed, maar geleidelijk bleek, dat de club in Voorst er tegen Zutphen niet aan te pas kwam. Als er geen successen geboekt worden en je het gevoel hebt “voor spek en bonen” mee te doen, daalt de animo. Het begin van het einde. Toen ik als jochie van een jaar of acht naar school fietste met mijn doortrappertje, keek ik gebiologeerd naar de donkere en zwarte duiven van Kik op zijn zolderhok op een schuur op enkele meters van de Binnenweg. Waarschijnlijk was Kik toen  al lid van “Ons Genoegen” in Zutphen, want Hans Eijerkamp kan zich de Belg goed herinneren, merkte ik in nostalgische gesprekken met Hans. Volksclub “p.v. de Hoven” maakte deel uit van de roemruchte C.C.Z.  “Het Mekka van de duivensport”. Ook p.v. “Ons Vermaak” uit Eerbeek maakte er deel van uit. Dat viel trouwens niet op, zoals voorheen de vereniging uit Voorst evenmin opviel. Eefde was destijds de “goudkust” van de C.C.Z. met liefhebbers als Bertie Camphuis, Cees Suijkerbuijk, Bertus Roording en Harm Modderkolk. Zutphen vloog in de jaren zeventig met Doetinchem samen. Daardoor lag de trek al wat oostelijker. De kant van “het Nieuwe Spittael” aan de oostkant van Zutphen , was het richtpunt van de duiven in de stad Zutphen. Peter van Osch, Gerard Suijkerbuijk en Piet Steenbergen waren in die tijd prominente vertegenwoordigers aan de oostkant van de C.C.Z. De liefhebbers in de Hoven, aan de westkant van de IJssel voelden zich steevast miskend en tekort gedaan. “De duiven komen altijd van de stad en dan zijn we altijd net te laat”, was de klacht in de Hoven. Voor Appie Derks, Jan Suijkerbuijk en Adrie Heuvelink, de sterkste liefhebbers destijds, was een plek rond de tiende plaats in de C.C.Z. het hoogst haalbare. Als beginner hoorde ik het gekrakeel aan. Als het ging over de liefhebbers uit Voorst of Eerbeek, vergat men de ligging gemakshalve. “Daar zitten geen goeie duiven en geen goeie liefhebbers” en daarmee was de discussie gesloten!

Brummen

Aan de boorden van de IJssel ligt Brummen. Cortenoever en Leuvenheim liggen wat dichter bij de IJssel, maar zijn onderdeel van Brummen en vormen het voormalige werkgebied van “p.v. de Valk” uit Brummen. Denkend aan deze roemruchte vereniging, denk ik aan de gebroeders Jansen uit Brummen, aan Dolf Piecknick, aan Arie van Roon, aan Jan van Vugt, aan Jurriëns, aan combuinatie B.D.R., aan gebr. Bierhof (1e en 2e nat. St. Vincent), aan Joop Spiegelenberg (“Black Giant”), aan Jan Rademaker, aan Alwin Petrie, aan Erik Plant en aan de legendarische Henne Bierhof, alias “Henne van Miete”. Liefhebbers, die bijdroegen aan de faam van de C.C.Z. De allerbekendste leden van “p.v. de Valk” waren natuurlijk Hans Eijerkamp en Zonen. Hans was echter zijn halve leven lid van “p.v. Ons Genoegen” en trad later toe. In Brummen werd altijd hard gespeeld!  Het contrast met Eerbeek was enorm. Bij “p.v. Ons Vermaak” zaten allemaal relatief onbekende namen. Na lang nadenken schiet me de naam van Buyukata te binnen. Deze Turkse rijschoolhouder had een opvallende naam, maar kon zo nu en dan ook op de uitslag van de C.C.Z. de Zutphenaren herinneren aan het lidmaatschap van de club uit Eerbeek. Zou de Schepper bewust alle topliefhebbers in Brummen uitverkoren hebben en de liefhebbers uit het westelijker gelegen Eerbeek tot paria veroordeeld hebben?  Ik ben van nature niet erg gelovig, denk ik. Met de kennis en ervaring van nu, zou ik wel een nieuw huisje  in Cortenoever of Leuvenheim willen kopen, maar beslist geen villa in de bossen rond Eerbeek. Tenminste niet als postduivenliefhebber. Ik had het met Johan van Dijk uit Eerbeek over dit onderwerp, toen hij drie weekeinden op rij de eerste prijs won van de kring Apeldoorn Deventer, waar Eerbeek op zeker moment naar verkaste.  “Dat dank je aan vakmanschap en niet aan gunstige ligging”, complimenteerde ik hem. Johan: “Ik zag een huisje vlak bij de IJssel en was meteen verliefd. Helaas wil mijn vrouw niet weg bij het winkelcentrum in Eerbeek, maar anders wist ik het wel”. Mijn bewondering voor duivenliefhebber Johan van Dijk is immens. Hij is gek van politiehonden, van siervogels, van paarden en van postduiven. Een onmogelijke combinatie met 24 uur in een etmaal. Als je het leest, wordt een mens al moe. Zou hij zich focussen op postduiven en verhuizen naar zijn “droomhuisje”, dan is hij in potentie van het kaliber Bas Verkerk, met iets meer oog voor vrouwelijk schoon.

Eerlijk

Hier kom ik terug op mijn aanhef in de eerste alinea. Seizoen 2024 was voor ons teleurstellend, maar alles is relatief. In de club, waar het spel met de jonge duiven voor vrijwel iedereen een “crime” is, eindigden we gewoon als 1e en 2e  (op naam José). Na een goeie start, lagen we halverwege kortstondig “op de rugge”, in de beleving van Marco Toering, maar uiteindelijk waren de laatste twee vluchten weer wat beter in de kring. Ik meen 2e en 3e met de getekende en twintig duiven mee op de slotvlucht. Op de vijfde en zesde vlucht gingen we kopje onder. Eerst op Roye een vies verloop, met ’s avonds nog 40% afwezig bij ons en de week erop een “waaivlucht” met hier en daar snelheden ver boven de honderd km. per uur. We speelden kortstondig “op de deur”, maar na Roye lieten we de boel bij elkaar. De sfeer op het hok was in mineur, er waren veel partners weggebleven en er waren geen neststanden. Vertrouwen was er niet en met extreme wind van achter hebben we in Gietelo nog nooit geluk gehad. Die twee vluchten veroorzaakten onze teleurstelling.

Buis

In Twello was het spelen met jonge duiven altijd een heet hangijzer. Gerrit Jansen “de vliegende melkman” stond met knikkende knieën op zijn junioren te wachten. Ook Dik de Boer had in zijn beste jaren moeite om aan aanwas te komen. Een 1e nationaal spelen met zijn “Tornado” lukte op Dax, maar de junioren thuis krijgen op een vitessevluchtje, dat was een ander verhaal. Ooit werden er in Twello op de eerste vlucht ruim 1000 jongen ingekorfd, maar de aantallen zakten steevast dramatisch naarmate het spel vorderde. Ook de familie Romein deelde in de malaise. De verhalen over het Veluwemassief spookten rond en sommigen zochten de verliezen in de verluchting van de duivenwagens. Op een gegeven moment, na het overlijden van Freek op veel te jonge leeftijd, kwam Cor Buis sr. vanuit Amstelveen/ Bovenkerk naar Twello als hokverzorger. Hillie wilde de droom van Freek met zijn “rode vossen” voortzetten en toevallig had  potplantenkweker Cor Buis net zijn bedrijf beëindigd en zag hij de uitdaging als hokverzorger voor Hillie wel zitten. Meewarig hoorde hij de jammerverhalen over de verliezen van jonge duiven aan. “Dat ken ik helemaal niet”, zei Buis neutraal. Met optimisme werd uitgekeken naar de verrichtingen van de nieuwe hokverzorger, die met de oude duiven zijn reputatie snel waar maakte. Toen het spel met de jonge duiven startte, was Cor vol verwachting. De moed zakte hem in de schoenen, toen hij na de eerste prijsvluchten de balans opmaakte. Er was niets veranderd en de verliezen waren als vanouds dramatisch. Dat was een “eyeopener” voor Cor. Misschien had hij gedacht, dat hij de boertjes uit het oosten kon leren spelen met jonge duiven?  Die vlieger ging niet op. Met de weduwnaars stond hij zijn mannetje, maar als het om de junioren ging, was Cor nederig.  Bij “Steeds Verder” was er dit jaar enig optimisme voor het begin van de jonge duivenvluchten. Onze jeugdige voorzitter had grote plannen. Door mijn werk, kan ik de junioren dagelijks lappen. We gaan het je komend jaar lastig maken”, beloofde hij. Inmiddels is hij weer nederig, net als Stefan, Cor, Johnny, Gerrit, Annet, Albert, Frits, (Jan 2 x), Werner, Hans, Rein, Lady en Dick. Alleen Bertus is nog strijdvaardig. Als de jonge duiven gespeeld worden, is de enige vraag die je hoort: “Hoeveel heb je er thuis?” De één probeert het op de jonge duivenvluchten, de ander waagt het op de natour en weer anderen zoeken hun heil op de taartvluchten. Het resultaat is in de regel onveranderd bedroevend, maar gelukkig is gedeelde smart halve smart!  Een schrale troost. Een treurige ontwikkeling. Als je dan weet, dat in Deventer op de laatste jonge duivenvluchten niet meer is ingekorfd en dat voor Apeldoorn bijna hetzelfde geldt, dan begrijpt U, dat ik me al iets minder teleurgesteld voel.  Heb dit jaar 40 % van alle gekweekte jongen voor onszelf over  gehouden. Daar kan ik er maar een paar van gebruiken voor de toekomst. Even overwoog ik, om van het overschot gezonde soep te trekken. Ze hebben nooit een microgram antibiotica gehad. Inmiddels hebben zich liefhebbers gemeld en komen er wat schenkingen aan, zodat slachten me bespaard blijft. Als pure jonge duivenspeler heb ik dus een luxe-probleem! Ik schrijf de frustraties van me af en probeer te denken aan de toekomst. Duiven halen in afdelingen waar de verliezen beduidend minder zijn, is geen oplossing. Een gepasseerd station. Gewoon blijven zoeken naar de beste duiven in onze situatie, die hier het vliegprogramma overleven. Erkennen, dat duivensport niet helemaal eerlijk is en proberen optimistisch te blijven.  Vertier zoeken met duivenvrienden, respect houden voor liefhebbers , die de moed niet opgeven en genieten van je duiven. Denkend aan wat ik vandaag getypt heb, verbaast het mij, dat “p.v. de Valk” in Brummen al jaren geleden ter ziele ging met al zijn kampioenen.  “p.v. Ons Vermaak” in papierdorp Eerbeek bestaat nog steeds. Dat moeten liefhebbers in hart en nieren zijn. In Voorst waren ze in de vijftiger jaren minder geduldig.  (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (12)

Op hoop van zegen (12)

Wilderness

“A new kind of wilderness” was de film, waar José en ik vorige week zondag naar toe gingen. Een jong stel in Noorwegen verlaat met vier kinderen de gebaande paden en ze kiezen voor een alternatief leven in de natuur. De kinderen gaan niet naar school. Als de moeder ernstig ziek wordt en sterft, staat de vader er alleen voor. Hij houdt zijn rug recht en  verloochent zijn geliefde niet. Wel moet hij concessies doen. Er moet brood op de plank komen en hij moet thuisles geven aan de kinderen. Voor mensen , die er in de opvoeding alleen voor komen te staan, is het een echte aanrader. Je hebt idealen, maar de praktijk is weerbarstig. De vader voert een aangrijpende strijd en daar wordt de kijker in meegezogen. José vond het een fantastische film. Ik bleef geboeid kijken. Aangrijpend verhaal, mooie natuur en geloofwaardig.

Oneerlijk

Duivensport is in zekere zin een oneerlijke sport. We hebben allemaal onze eigen afstand tot op een meter nauwkeurig, met de tijd kan niet gesjoemeld worden en toch weten we, dat de beste en snelste duif heel vaak niet wint. Ik volg de vluchten voor oude duiven wekelijks op de voet. De ene week is liefhebber A  de grote uitblinker in de afdeling, met meerdere duiven in de top 10 en een duizelingwekkend prijspercentage. Een week later staat dezelfde liefhebber niet bij de eerste honderd. Wat zeg ik:  niet bij de eerste duizend! Ik scroll door de afdelingsuitslag en zie , dat B er al 37 geklokt heeft, op het moment dat de grote uitblinker van een week eerder nog niet in beeld is. Zou hij ze thuis gehouden hebben? Ik zoek de uitslag van zijn eigen kring en zie, dat hij gewoon de numero uno is. Ik ben niet verbaasd, maar een buitenstaander zal zoiets niet begrijpen. In onze afdeling is zoiets niet ongewoon. Extreme verschillen, veroorzaakt door wind en trek en door het landschap in de GOU/ afd. 8

Veluwemassief

Als je als automobilist vanuit het zuiden over de A50 in noordelijke richting rijdt, passeer je de Maas bij Ravenstein. Nog geen tien minuten later doemen de enorme zuilen, die de Waalbrug markeren, op. Je passeert ook deze brug in een typisch vlak rivierlandschap en weer goed vijf minuten later zie je de reclame van Kruidvat en nader je de Rijnbrug bij Heteren. Nog steeds het vlakke uiterwaardenlandschap. Ben je op de brug bij Heteren/ Renkum, dan doemt uit het niets het Veluwemassief in volle glorie op. Best spectaculair voor Nederlandse begrippen. Daar liggen de Posbank en de Zijpenberg, waar ik 55 jaar eerder als jong wielrennertje “bergervaring” op deed. Het zijn molshopen, vergeleken bij de bergen in de Alpen en Himalaya, maar ze maakten destijds indruk op mij en ook voor onze duiven blijven ze niet onopgemerkt. Duiven hebben angst voor uitgestrekte natuurgebieden met hoogteverschil en bossen. Ze weten, dat daar hun natuurlijke vijanden vertoeven. Vanuit de praktijk weten we, dat onze duiven een keuze maken. Linksaf de Gelderse Vallei door, of rechtsaf door de IJsselvallei. Als de duiven een westelijke koers volgen en aan de westelijke kant van de Veluwe moeten zijn, blijven ze in de ideale lijn. Zitten ze meer oostelijk, dan hebben de duiven aan de oostkant van de Veluwe de ideale lijn voor de IJsselvallei. Het Veluwemassief dwingt de duiven, afhankelijk van lossingsplek en afhankelijk van de wind om een omweg te kiezen. Die “omweg” zie je terug in de uitslag. De ene week domineert NoordWest, de andere keer zijn er kansen voor NoordOost.

Honderd

Bij “staartwind” komt het vooral aan op oriënteren. Bij “kopwind” hebben duiven tijd in overvloed om te navigeren. Komen de snelheden boven de 1500 meter per minuut, dan is de snelheid zo hoog, dat de inwendige “TomTom” het nauwelijks  bij kan sloffen. Zeker als duiven meer dan honderd km. per uur vliegen, vliegen ze dikwijls te ver. Heb je het geluk, dat “de trek” ongeveer samenvalt met de plek van je hok, dan hebben ze in de gaten, dat ze thuis zijn. Jonge, onervaren duiven, die in een klad vliegen, kunnen bij harde wind van achter zelfs dan doorschieten. Bij “staartwind” vallen de vroege duiven meestal in de “overvlucht”. Ook de hoge prijspercentages zitten dan aan het eind van de rit. In onze club, speelt sinds dit jaar Bertus van de Esschert. Bertus is, net als ik, van 1952. Hij fokte, net als ik, Vlaamse reuzen en is een typische generatiegenoot. Bertus woont in Welsum op de grootste afstand binnen onze club. Hij krijgt op mij gemiddeld vijftien kilometer toe. Als de wind uit de zuidhoek komt en de verwachte snelheden hoog zullen liggen, zijn de grappen vooraf niet van de lucht. “Heb je de netten al gespannen, Bertus?”, klinkt het dan steevast. De duiven van Bertus zijn in hun element bij staartwind. Dat zit niet in “het soort”, maar het zijn de omstandigheden. Zelf ben ik als de dood voor snelheden boven of rond de honderd kilometer. Ik weet dan vooraf, dat ik de bietenbrug op ga. De duiven komen retour uit het noorden en als ze soms uren na de prijzen nog uit “de goeie hoek” komen, dan zijn ze waarschijnlijk in het noorden geweest, zijn teruggevlogen in zuidelijke richting. Dan komen ze vroeg of laat op bekend terrein en vliegen weer noordwaarts via de bekende route naar huis. Via GPS-trackers weten we steeds meer over het mysterie. Genoemde Bertus is trouwens geen beroerde kerel. Iedereen kent hem, want hij heeft alle verenigingen  binnen een straal van vijftien kilometer rond Welsum vertegenwoordigd.  Marco Toering uit Deventer korfde afgelopen seizoen meerdere keren in Twello in. Hij dolde Bertus met zijn Deventer humor en Bertus kon dat eigenlijk wel waarderen. “Ik zag je niet vorige week en dacht, dat je alweer naar een andere club was verhuisd, maar gelukkig ben je er nog”. Toen Bertus met wind van achter de clubuitslag overheerste, deed Marco er nog een schepje boven op. “Ie hebt Free noe op de rugge liggen, noe mo’j de genadeklap uutdelen”. Bertus bekende later tegen mij, dat hij dat opjutten nodig heeft en kan waarderen. Op het moment, dat Marco zijn als grap bedoelde aanmoedigingen plaatste, moest ik natuurlijk een weerwoord hebben. “Dat Bertus mij op de rug heeft liggen, is niet zo erg. Straks heeft hij ook nog mijn José op de rug liggen, dan wordt het beroerder”. Bertus is een serieuze tegenstander binnen de club en door inkorvers van buiten de club komt er meer “reuring”. Onze club bestaat 94 jaar en zonder aanwas van buitenaf, zal het een hele toer worden om het honderdjarig jubileum te halen!

Kampioenschap

De waarde van een kampioenschap is betrekkelijk. De voorgaande drie seizoenen was een duif van ons 1e asduif in de kring. Het bijzondere is, dat die asduiven van één en dezelfde duif afstammen. In ’21 was het een zoon, in ’22 diens zoon en in ’23 wederom een directe dochter. Dat is relevante informatie. Uit de asduif van 2021, komt in 2024 dan toch weer de 1e asduif bij “Ons Vermaak” in Eerbeek. Die vereniging heeft met Sando Verbeek, Lorena Gijsberts, combinatie Johan Gijsberts- Marcel Sangers en Johan van Dijk, tenminste vier serieuze jonge duivenspelers. Sando kocht het bonnetje op de verenigingsverkoop in Twello. De “Ernst” gaf als jaarling meteen een fabelachtig goeie nazaat met onze enige dochter van “Olympic Frank”. Deze “Cor van Gogh” scoorde op regioniveau in korte tijd een 5e, 3e, 1e en een week later weer een 1e (ook 1e Teletekst GOU Noord). Op Sando maakte dat destijds indruk. Ook op mezelf. Zulke duiven zijn witte raven. Jammer, dat 2022 niet telde voor de Olympiade, anders zou hij vrijwel zeker met afstand de beste voor Nederland geweest zijn. Het was voor onze eigen club en Sando kennen we als plaatsgenoot en als serieuze liefhebber. Hij kreeg twee jongen uit “Ernst” op zijn bon. “Ernst” stond tegen het beste en mooiste duivinnetje van José in 2023. Een testduifje van Henk Bussing uit Zetten. Het ene jong werd al snel ziek en stierf, het andere jong won als enige bij “Ons Vermaak”  zeven prijzen en werd 1e asduif. Daar beleven we als team plezier aan!  Wie weet er trouwens nog wie vorig jaar kampioen werd , of de asduif had? Vrijwel niemand! Daarom moet je er ook niet rouwig om zijn, als een ander kampioen wordt met de jonge duiven. Nu was Bob van Zeist uit Klarenbeek de numero uno en ik gun het deze sympathieke en gedreven veertiger van harte. Wij werden derde in de kring en het puntenverschil tussen de eerste drie was minimaal. Johan Gijsberts ( Gijsberts-Sangers) werd tweede en bewijst, dat zijn kampioenschap in zijn debuutjaar 2023  in onze kring geen toeval was. Het afgelopen jaar was voor de jonge duiven geen “makkie”. De “moordvlucht” Roye (woorden van Bob)  was een kuitenbijter. Warm, wind tegen, laat los. Het betekende een vervelende cocktail van omstandigheden. We misten ’s avonds nog 40% van onze duiven in Gietelo. Een week later Courtisols. Ik hoorde, dat er in België die ochtend al snelheden van 125 km. gemaakt werden op de vitesse. Na Roye, met zijn verliezen en ontreddering, had ik de duiven bijeen gelaten. Er waren geen neststanden en er was geen sfeer. Onze duiven lieten het, gejaagd door de wind,  collectief afweten. Liever zoek ik geen excuses. Bertus had in de club een goeie vlucht en Bob in Klarenbeek een hele vroege. “Free lag op de rugge”. Basta!

Windmolens

Van kindsaf tussen de duiven. Vaak tegen de verdrukking in. Vader, die duiven haat, ernstige allergie. Niet altijd zat het mee, op het duivenhok. Eerst denk je, dat de kwaliteit van de duif allesbepalend is, dan leer je, dat vorm minstens zo belangrijk is. Op zekere dag bezie je de tien kampioenen van de kring Zutphen ( “Het mekka van de duivensport”) en dan valt op, dat geen van hen werkt. Tijd speelt blijkbaar ook een rol. Je merkt, dat ligging eveneens bepalend is voor succes. De kampioenen in kring Zutphen woonden destijds vaak in Eefde.

De liefhebbers uit stadsdeel “de Hoven” (aan de verkeerde kant van de IJssel), mopperen over het voordeel voor de liefhebbers uit de stad. Over de situatie van de liefhebbers uit dorp Voorst bij “de Hoven” denkt niemand na. Voorst zit helemaal aan de westkant van het vlieggebied en de liefhebbers daar komen er niet aan te pas. Ik heb mijn duiven in 1978 bij “oom Dirk” in buurtschap Klein Amsterdam. Niet uit weelde, maar thuis mocht ik geen hok bouwen.  Klein Amsterdam ligt een kilometer of vijf ten westen van dorp Voorst. Nog meer uit de goeie richting, maar wel met ongeveer dezelfde afstand als de liefhebbers in Zutphen en Eefde. In Eerbeek zit p.v. “Ons Vermaak”. Die vliegen ook in de C.C. Zutphen. Sommige liefhebbers in Zutphen weten dit niet. Er staat zelden iemand uit Eerbeek op de uitslag! “Daar zitten geen goeie liefhebbers en geen goeie duiven”, verklaren de miskende liefhebbers uit “de Hoven” mij als jongeling het onbeduidende spel aldaar. Geleidelijk dringt als beginner het besef door, dat ik me aan moet sluiten bij een andere club en kring. Vechten tegen de bierkaai is als vechten tegen windmolens!

Kwaliteit

De kwaliteit van de duif is allesbepalend. Kwaliteit wordt beïnvloed door gezondheid en vorm. Tegen “de trek” van de duiven is kwaliteit niet opgewassen. Landschapelementen en wind beïnvloeden je succes. Ook de hoeveelheid tijd, die je aan je hobby kunt besteden speelt een rol. Kijk vooral, naar wat duiven op jouw hok presteren. Soms kopen liefhebbers dure duiven van succesvolle liefhebbers, die uiteindelijk inferieur zijn aan je eigen duiven. Op eigen hok beleven we elk jaar weer het meeste plezier aan de duiven, waar we al jaren op vertrouwen. Ze passen bij mijn manier van voeren, verzorgen en spelen. Toch gaat de zoektocht naar beter, jaar in jaar uit, immer door. Bij stamkaarten met louter beroemde namen, nationale winnaars en Olympiadeduiven, gaat ons hart sneller kloppen. Daar verbleken onze eigen simpele duiven bij. Met zoveel kwaliteit, kan het bijna niet kapot. We dromen heerlijke dromen, maar ….. de meeste dromen zijn bedrog! De “wereldsterren” geven jongen, die moeite hebben om het thuishonk terug te vinden. Bij inteelt met de “superduif” blijft het heterosis-effect uit, als we kruisen. Het kweken van superieure postduiven is geen optelsom van dollars of euro’s, ook geen resultaat van 8 plus en 8 min ogen, kweekwratjes, witte tenen, of hoogdravende theorieën. Ik geloof wel in mooie stamkaarten met bewezen prestatieduiven. Vooral als die prestaties op eigen hok behaald zijn. In deze tijd van het jaar ben ik ’s avonds in bed steevast aan het koppelen in mijn hoofd. Ik ben optimistisch, maar ook realistisch. Wat is er terecht gekomen van al die “droomkoppels” die ik vorig jaar samenzette? Komend jaar gaan we allemaal nieuwe koppels samenstellen. Als een duif echt kweekwaarde heeft, zal ie dat ook tonen met een nieuwe partner. Wie van de partners was verantwoordelijk voor dat ene goeie jong? Door om te koppelen, komen na verloop van tijd de betere kwekers boven drijven. Kweken blijft een fascinerende bezigheid. We proberen alle beschikbare kennis, ervaring en theorie te comprimeren. Voor het zover is, moeten we eerst met een kritische blik de huidige kwekers beoordelen. Ik probeer dan in de “Jan Suijkerbuijk-modus” te komen. Dat betekent: de messen worden geslepen. Om op het gewenste tal te komen moeten twijfelaars en “eeuwige talenten” plaats maken. Eigenlijk kun je niet streng genoeg zijn!  Met de selectie wens ik U wijsheid en standvastigheid toe. Met het samenstellen van de kweekkoppels voor 2025 veel plezier en genoegen. Besef echter: een kilo wijsheid verliest het van een ons geluk!  (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (11)

Op hoop van zegen (11)

Radiostilte

Na anderhalve maand radiostilte heb ik de tijd en de rust om een “stukkie” te maken voor de site. José is naar “bootcamp” op de sportschool met de fiets en inclusief reistijd, douchen en “socialisen” heb ik enkele uren de tijd om ongestoord wat aan te klooien achter de computer. Gisterenmiddag hadden we bbq van “Steeds Verder” voor leden en inkorvers. Ik had nog de bonusvlucht Morlincourt van de SuperFondClub GOU en enkele leden hadden ingekorfd voor taartvluchten in de regio. Het weer was ideaal gisteren. Noordwestenwind, ongeveer 18 graden en een blauwe lucht met wat wolken. We hadden er in Zutphen achttien ingekorfd en in een tijdsbestek van op de seconde precies tien minuten waren er tien thuis. Niet echt vroeg naar mijn gevoel, maar de duiven kwamen mooi uit de zuidoosthoek en dat alleen al maakte de aankomst tot een prettig kijkspel. Jaap en Rini waren erbij, Sander had een verjaarspartijtje van zijn oudste dochter en José zorgde als vertrouwd voor de inwendige mens. Jaap arriveerde precies op het moment, dat de eerste duif haar ererondje maakte. Hij was naar bakker Bril geweest voor koeken, maar die had vakantie, waardoor hij naar de supermarkt in het dorp moest fietsen. Dan loop je vlot een kwartier vertraging op. Na een uurtje moesten we ons gezellig samenzijn afbreken vanwege de bbq in Twello. Daar was het gezellig, met wat bloedverversing van inkorvers van andere verenigingen. Met uitsluitend eigen leden worden zulke aangelegenheden wel erg intiem, gelet op de ledentallen van de doorsnee duivenclub, maar dat terzijde. Terwijl ik net in een enerverend gesprek zat, keek ik terloops op mijn horloge en zag, dat ik als een speer naar Zutphen moest om de module om 18 uur te brengen voor het “afslaan”. Een term die stamt uit vervlogen tijden, toen de duivenklokken nog letterlijk afgeslagen moesten worden. Ook hier een klein gezelschap. Bijpraten met liefhebbers, die je normaliter weinig of nooit ziet: Appie Jurriëns, die altijd wel iets zinnigs over de duiven te melden heeft, Albert Roording, oud-leerling van het Isendoorn College, waar ik ruim een kwart eeuw werkte, weet als Pipa medewerker ook waarover hij praat en dan natuurlijk Marinus. A.D.H.D.-er in het kwadraat, een mop, een kwinkslag en een filosofische wijsheid in één minuut. Het gaat bij hem alle kanten op. Blijmoedig, enthousiast, een duif in een goed hart en met niemand te vergelijken. Iedere gek heeft zijn gebrek. Toch voel je: met al zijn drukte en lawaai, met zijn Joe Cockerachtige wankelheid en gebaren, die man deugt! En als beginnend duivenliefhebber heeft hij al hele leuke uitslagen gerealiseerd. Bennie Schrijver, de ongekroonde oud- ijzerboer, heeft een klik met Marinus. Ben is zelf ook een bijzondere en dat trekt elkaar aan. “Marinus heeft zijn duiven tussen de kippen lopen en voert ze gewoon kippenvoer”. Bennie dikt het nog iets aan en geniet van de fratsen van zijn kompaan. Ik herinner me het voorjaar van 1978. Ik bouwde een duivenhok in Klein Amsterdam bij “ome Dirk”. Wijlen Geert Oostra, voor wie ik inviel als onderwijzer op het schooltje in Empe, tipte me om met ijzer omhulde houten panelen van de voormalige GOBI betonindustrie bij Bennie Schrijver te halen. “Wat gaot ie d’r van m-m-maken”, stotterde Ben. Toen ik zei, dat het voor een duivenhok was, kostte het helemaal niks. Bij de uitvaartplechtigheid van moeder Toos in februari, waren Bennie en Hannie aanwezig. In januari 2012, de zaterdag voor het overlijden van vader Ernst, waren Wim en Jopie Hissink uit Warnsveld, de ouders van Hannie, de laatste kolenklanten die kolen bezorgd kregen. Het kostte me telkens een zaterdagochtend en meer. Wim was oud-duivenhouder, hield van trekharmonica en accordeon, was enthousiast tuinman en maakte van de bezorging van de antraciet een bijna dagvullend programma, inclusief koffie en zelfgemaakte erwtensoep. Vader was de laatste keer al 86 en hoewel hij zich groot hield, kostte het gesjouw met de zakken kolen hem steeds meer moeite. Op de terugweg van Warnsveld naar Voorst, vertelde vader Ernst, dat hij weer een vrachtwagen kolen wilde bestellen. “Kan ik op jou rekenen bij het bezorgen”, vroeg hij. Ik antwoordde bevestigend. Op maandagmiddag belde hij naar de groothandel om de bestelling door te geven. Een half uur later vond moeder hem op zijn rug liggend in de garage. Met gereedschap in zijn handen, de sigarenpeuk aan de ene kant van zijn gezicht en zijn pet aan de andere kant. In het harnas gestorven aan een acute hartstilstand. De aanwezigheid van Ben en Hannie bij de uitvaart van moeder getuigde van respect. Ben kende vader goed, want hij bracht regelmatig oud ijzer en Hannie kwam vaak bij haar ouders om de hoek kijken, als we kolen bezorgden. Nostalgie!

Toosje

Op voorspraak van de dochters van Sander kozen we dit jaar voor duivennamen uit de Walt Disneywereld. We hadden “Donald” , “Dagobert”, “Willie Wortel”, “Lampje” (1e asduif SVT) en natuurlijk “Kwik”, “Kwek” en “Kwak”. Broer Henk vond het leuk om een duif “Hendrik” te noemen en zijn kleindochter Lize werd op nationaal niveau turnkampioene bij de dertienjarigen, waarmee ze een vernoeming verdiende. We hadden ook een “Toosje”. Op 22 februari appte Sander, dat er twee duifjes gespeend konden worden. Ik was op dat moment bij moeder in het verzorgingshuis in Bathmen. “Wie is Sander?” , vroeg moeder. Ik vertelde haar van de drie leuke dochtertjes die ze al enkele keren ontmoet had in Teuge. “Mag ik mee?”, vroeg ze. Ik besloot haar in de auto te tillen en mee te nemen. Daar genoot ze zichtbaar van. Bij het hok aangekomen, zette Sander het duivinnetje op haar arm en maakte een foto. “We noemen het duifje naar moeder”, zei ik en zo geschiedde. Precies een etmaal later sloot moeder haar ogen definitief. “Toosje” ontwikkelde zich goed. Een glad vetkrasduivinnetje, dat steevast als eerste in de ren zat ’s ochtends als ik het schuifje opende. Op de eerste vier prijsvluchten pakte ze trouw haar prijs, maar op de zeer moeizaam verlopen Roye, bleef ze weg. De vrijdag erop kregen we per mail bericht, dat ze bij ene Francois Hemelaers in de buurt van Luik was terecht gekomen. Een oude man zonder auto, die met behulp van Google translate in gebrekkig Nederlands zijn verhaal deed. Ik vroeg hem de duif enige dagen te verzorgen en dan los te laten bij goed weer. Ik stelde hem twintig euro als onkostenvergoeding in het vooruitzicht en vertelde hem over het bijzondere verhaal achter het duifje. Francois wilde graag meewerken en wenste geen vergoeding. Wel liet hij doorschemeren, dat hij blij te maken was met een duif van fondorigine. Op dinsdagmiddag zat “Toosje” weer in Gietelo. Ik stuurde een bedankje met een biljet van twintig euro naar zijn huisadres. Op de omslag vermeldde ik “Uitnodiging biljarttournooi”, niet zonder reden. De brief kwam aan en iedereen tevreden. Voor “Toosje” heb ik een bijzondere partner op het oog op het kweekhok. Hoop, dat ze geluk brengt!  Dan hoor ik gemorrel aan de deur en weet dat José terug is. Ze wil om 13.10uur naar filmzaal Mimik in Deventer, waar een film draait over “Wilderness”. Aanbevolen door een vriendin. Natuurlijk gaan we samen. Daarom zeg ik: wordt vervolgd!

Op hoop van zegen (10)

Op hoop van zegen (10)

Luijksgestel

Na het “code roodweekend” was dit de tweede prijsvlucht. Voor ons plm. 116 km. Je weet vooraf, dat snel binnenlopen op zo’n vlucht allesbepalend is. Sander was met zijn gezin op vakantie naar Kijkduin, Jaap was voor de liefde naar Dronten en José deed de boodschappen. Samen met Rini moest de klus geklaard worden. We verwachtten de duiven even na 9.30 uur en waren op alles voorbereid. Rini keek met zijn haviksogen richting de kerk in Voorst. Richting Zutphen. Uit die hoek komen de duiven normaliter. Het was goed half tien en in de lucht alles rustig. “Afgelopen woensdag was het weer bagger. We gingen fietsen in de omgeving Ravenstein en namen de duiven mee voor een africhting. Bij thuiskomst rond half zes, was nog geen 50% van de duiven thuis, volgens de module. Ik zag, dat de duiven van hok 1 allen geconstateerd waren, maar van het achterste hok was volgens de klok nog geen veer thuis. Dat is schrikken. Gelukkig waren de duiven er wel, maar op donderdag was ik met Albert weer enkele uren bezig om te ontdekken, wat er nu weer aan mankeerde. Ik ga even kijken, of alles staande bij is”, zei ik tegen Rini. Terwijl ik naar het prieeltje met de module liep en Rini de hemel aftuurde in de bekende richting, zag ik uit het westen een koppel van plm. 15 duiven naderen. Ik stond perplex. De duiven cirkelden om het hok en enkelen doken richting de zonnepanelen op de loods van Rijkswaterstaat, op ongeveer twintig meter van ons hok. De duiven bleven rondcirkelen en hielden elkaar in de lucht. Elke keer, dacht ik dat ze zouden “vallen”, maar na zeker tien “doorstarts” na even zoveel rondes, gaven we de moed op. Onze lokker zat braaf op het hok, maar gehinderd door zeker vijf vreemde duiven, kwam er van landen en constateren niets terecht. Op 40 eindelijk de eerste duif en op 42 waren er 27 geconstateerd. “De duiven waren er, wij waren er, maar het zat even tegen”, riep ik tegen Rini. Uiteindelijk viel alles toch mee. “Bij de eerste groep zitten drie getekende duiven. Dat is toch positief?” Wie de uitslag en de standen bekijkt, ziet dat we niet mogen klagen!

Roofvogels

Vorige week werd één van mijn favorieten gepakt door een roofvogel. Vroeg op de eerste vlucht en dan ineens weg bij huis. Zijn nestbroer was al in april gepakt. Vandaag was het weer raak. Er hebben vijf koppels een nestje en ik bracht na het schoonmaken van de hokken de broedende duiven een stukje weg. Ik kies daarvoor een willekeurige richting en een afstand van hooguit 5 kilometer. Bij thuiskomst zag ik een klein groepje duiven rondvliegen. Ze waren angstig en durfden niet te landen. Ik keek op de module en zag, dat de weggebrachte duiven gearriveerd waren. Na een uur rondcirkelen en niet durven landen, besefte ik, dat er “iets” aan de hand was. Onraad. Ik liep om het hok en keek in de tuin van de buren. Hier was niets te zien, dat de angst kon verklaren. Het betrof duiven van José. Ik had net deze ochtend een lijst met elf namen van duiven van José opgehangen. Een deel van haar duiven kreeg ik binnen, er mankeerden er nog drie. “Lourdes ‘82”, “Marietje ’90 en “Katrien ‘93”. Ik vertelde het aan José. “Met een beetje geluk krijg je er nog twee terug, zei ik profetisch.  Eentje is er zeer waarschijnlijk vanochtend gepakt. Rond het middaguur kwam “Lourdes ‘82” retour. Een half uur later was ook “Katrien ‘93” geconstateerd. “Marietje ‘90” is waarschijnlijk opgevreten. Hatelijk, want ik had net vanochtend schoonzus Nettie een appje gestuurd. Sinds enkele dagen wist ze, dat de ‘989 voortaan “Nettie ‘989” zou heten. Toen ik een naam moest hebben voor het nestzusje, was de keus voor Marietje, de enige zus van Nettie, de meest logische optie. Hatelijk. Bewust stellen we het geven van namen uit tot na het begin van de vluchten, om teleurstelling te voorkomen. Een garantie, dat het goed gaat is er nooit. Zwager Jan, de echtgenoot van Nettie, volgt al enkele jaren de verrichtingen van onze duiven vanuit zijn flat in Ommen. “Compuclub voorlopige uitslagen, NO en kring 2”, Jan kent de weg. Dat is leuk. Vorig jaar hadden we ook een “Jan” en een “Nettie”, maar die bakten er weinig van en gingen verloren. Dit jaar noemde ik de “934” naar hem. Op de eerste vlucht was hij vroeg en ik wist zeker, dat het een doffer was. Zwager Harrie, in het gezin net boven Jan, is aangestoken door het enthousiasme van Jan. De nestbroer van “Jan 934” werd “Harrie 933” genoemd. Voor mij makkelijk te onthouden en een kleine moeite. Als duiven namen hebben, sla ik die heel gemakkelijk op in mijn geheugen. Met kale ringnummers heb ik grote moeite. Het werkt bovendien stimulerend!

Namen

Elk jaar geven we de jonge duiven namen. Op ons kweekhok zitten “Brutus”, “Brave”, “Ernst”, “Cor” en “Frederik”. In rechte lijn afstammend van elkaar. We communiceren uitsluitend met namen onderling. Ideaal! Het ene jaar kiezen we voor familie en bekenden, soms voor popsterren of sporthelden, maar je moet wel afwisselen, anders krijg je dubbele namen en dat geeft verwarring. Afgelopen winter sprak ik met de drie dochters van Sander en Tineke. Ze stuurden me een lijstje met Walt Disneynamen. We hebben dus ook een “Donald”, “Dagobert” en “Willie Wortel”. Zelfs “Kwik”, “Kwek” en “Kwak” huizen op ons hok. Drie kinderen uit hetzelfde koppel uiteraard. Voor de onderlinge sfeer hebben we ook een “Rini 921”, “Jaap 922”, “Sander 947” en “Albert 965”. Vier jonge doffers, vier blauwen, vier verwanten en vier dubbele prijswinnaars, die aan elkaar gewaagd zijn. Hoop, dat we er lol aan gaan beleven!

Zonangst

Toen we in 1987 in Gietelo met postduiven begonnen, maakten we al snel kennis met een merkwaardig verschijnsel, waar je nooit over hoort of leest. Ik noem het zonangst. Joep Bodelier had er een maand geleden ook mee te maken, vertelde hij me door de telefoon. “De duiven durven niet te landen en blijven uiteindelijk in het nachtelijk donker doorvliegen, met vaak gewonde duiven tot gevolg”. Het verschijnsel doet zich voor bij laagstaande zon in het westen, waarbij de duiven landen tegen de zon in. Zijn het schaduwen? Is het weerspiegeling?  Het lijkt alsof het dak van het hok elektrostatisch geladen is. Eerst hangen ze een meter boven het hok, later twee meter en op het laatst wel drie of meer meters. Duiven lijken elkaar bang te maken voor “iets” wat er niet is. Toen we vorige week woensdag problemen hadden met het kloksysteem, liet ik de duiven tegen 18 uur buiten. Dit zijn ze niet gewend, want normaliter komen ze alleen ’s ochtends buiten. De gedachte was, dat ze allemaal nog eens over de antennes zouden lopen, om te zien of alle duiven thuis waren. Gelukkig kreeg ik ze met de nodige moeite voor het invallen van de duisternis binnen, maar die ervaring van woensdag werkte afgelopen zaterdag door bij de terugkeer van de vlucht. Diezelfde angst en steeds maar weer die “doorstart”. In combinatie met meerdere vreemdelingen, die wanhopig op zoek waren naar drinken waar de weerspiegeling van zonnepanelen zorgde voor de fata morgana. Op zo’n moment worden je zenuwen op de proef gesteld, maar uiteindelijk zijn er ergere dingen in het leven!

Scheiden

Na komend weekend wil ik de duiven scheiden. Mogelijk hebben we komend weekend geluk met het aanwijzen van de getekenden. Een viertal zit een dag of acht te broeden en dat kan met name de duivin inspireren om extra haar best te doen. Bij thuiskomst zijn de nestjes verwijderd en zondag zitten ze gescheiden. Ook gaan we vanaf dat moment bijlichten. Vorig jaar deden we het net andersom. Dat pakte teleurstellend uit op de verdere vluchten, vandaar deze verandering. Komend weekend Bierges en de week erop zitten we aan de grens met Frankrijk in Chimay.  Daarna vijf weken op rij inkorven op donderdag en combineren we op vrijdagavond de inkorving voor de natour. Heb nog een duif met een herstellende pootbreuk, een duif met een vleugelkwetsuur en nog enkele andere “kneuzen”, die op de natour een kans krijgen. Een B-ploeg, aangevuld met duiven die het moeilijk gehad hebben. Hebben we “een kijkie” zou wijlen Cor Buis sr. gezegd hebben.

O.E.C.

One eye cold. Rond deze tijd zie je vaak de eerste verschijnselen. In principe blijft een duif met oogproblemen thuis! Las op internet, dat uitroken met Koudijs droogontsmetter, de oplossing is. Albert opperde een mespuntje Halamid op tweeënhalve liter water als wondermiddel. Ik zie het even aan. In de duivenwagen waart het virus rond. Een week duurt het meestal. Heb je een betrouwbare getekende, of een duif die hoog staat bij de asduiven, dan is een week thuis houden niet leuk natuurlijk. Een duif, die iets mankeert, gaat niet mee. Het is niet diervriendelijk en onsportief richting je collega-liefhebbers. Basta!   (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (9)

Op hoop van zegen (9)

Asten

De eerste prijsvlucht van 2024. Onze oudste jongen waren precies drie keer weggebracht over de grote rivieren. De Martin Geven doctrine. Onze jongste junioren, op naam van José, moesten het doen met twee keer over de grote rivieren. In totaal brachten we de oudste jongen dertien keer weg en de jongen geboren tweede helft maart/ begin april elf keer. Inbegrepen  de africhtingen van 1, 2, 3, 4  en 7  kilometer waarmee we steevast beginnen. Ik vind tien tot vijftien keer africhten al een hele opgave en jarenlange ervaring heeft me geleerd dat dit voor ons volstaat. De Martin Geven doctrine haal ik lang niet elk jaar. Twee keer africhten tot voorbij of aan de Maas is in de praktijk al voldoende. Afgelopen jaar verliep de eerste Ravenstein bij ons vlekkeloos. Als dan de tweede keer, meestal in de week voorafgaand aan de eerste prijsvlucht ook goed verloopt, durf ik met een gerust hart in te korven. Africhten met de grote wagen van afd. 8 doen we nooit. Ook Martin en Joke lieten dit achterwege. Als ik kijk naar de uitslag van Asten, kan ik me niet voorstellen, dat we winst kunnen behalen door dit wel te doen. Er zijn serieuze liefhebbers , die wel gebruik maken van de africhtingsmogelijkheden van de afdeling en daar tevreden over zijn, maar wij houden het liever in eigen hand. Van de 68 ingekorfde junioren, waren er de eerste dag 63 thuis. De volgende dag kwam er één bij en van vier hebben we niks meer gehoord of gezien. Helemaal zonder kleerscheuren kom je er in afd. GOU nooit van af, is mijn ervaring. In aanloop naar de eerste vlucht, trainden de duiven aan huis naar volle tevredenheid, zoals ze dat al vanaf begin mei doen. De geslachten waren niet gescheiden en we hadden geen nestjes.

Geluk

In de kring waren door 84 liefhebbers van 8 kleine verenigingen 1872 duiven ingezet. Op een afstand van 85 kilometer weet je vooraf, dat het winnen van de eerste prijs zal afhangen van snel binnen lopen. Er was sprake van een “panieklossing” door een open springende deur. Lostijd 8.42 uur wijst daar ook op. Toen ik rond 9.30 uur op de site keek, om te zien of de voorspelde lostijd werkelijkheid was geworden, schrok ik. Snel appte ik de letters, maar ik vreesde, dat ze te laat zouden arriveren. Ik pakte twee lokduiven. In ons geval zijn dat geen figurita’s, maar postduiven, die om een bepaalde reden thuis zijn gebleven. De één heeft een vleugelkwetsuur, de ander kwam thuis “met de pijp leeg”. Om 9.36 uur zag ik een schaduw en boven me cirkelde een duif als solist op grote hoogte. Ik liet beide “lokkers” los en die vlogen rechtstreeks richting klep. Meteen gevolgd door de aankomende duif, die snel landde op het hok en na enkele tellen de klep toucheerde en zorgde voor de verlossende “piep”. Binnen een minuut volgden er een hele serie duiven, die zich formeerden tot een koppel en rondjes maakten rond het hok. Tezelfdertijd zag ik Rini en Sander om het hoekje van de schuur arriveren. Ze beseften, dat ze te laat waren en zagen een hele rits duiven op meerdere kleppen naar binnen duiken. Een goed begin. Je denkt dan automatisch, dat het op andere hokken ook duiven zal regenen, maar dat bleek niet het geval. Met de eerste prijs en onze twintigste duif op plek 30 in de uitslag, waren we meer dan tevreden. Leuk om te vermelden: toen ik op 22 februari twee jonge duiven ging ophalen op het kweekhok, was moeder Toos mee in de auto. Ze smeekte me om mee te mogen. Het betrof een doffer en een duivin. De duivin had ringnummer ‘930 en we maakten een foto van moeder met haar “Toosje ‘930”. Het was aan het eind van de ochtend en precies 24 uur later blies moeder vredig haar laatste adem uit. Ik was er bij en zag, dat het goed was. In Gietelo bleef het vaste plekje van moeder op haar bankje leeg. Toch waarde haar geest rond en bracht ze, zoals zo vaak, geluk. “Toosje ‘930” zat in de kopgroep en staat in de kringuitslag op de 24e plek. Haar nestbroer raakten we in april kwijt. Zijn ring ligt waarschijnlijk onder het nest van de havik. De kringzege dragen we op aan onze dierbare moeder Toos. Een dappere vrouw, geweldige moeder en mijn trouwste supporter door dik en dun, die op 23 februari op 94-jarige leeftijd overleed.

Pech

De dagen voor en na de eerste vlucht zat niet alles mee. José had het over een “pechweek”. De diepvries in de kelder begaf het, de moer aan de sifon onder de spoelbak van de keuken eveneens, met wateroverlast tot gevolg. Onze oude kippen stopten met leggen en op de 13e juli op de zaterdag van de beoogde Asten, begaf een antenne het en was het alarmfase 1. Gelukkig kwam ik er ’s ochtends al achter en bleef ik aanvankelijk rustig. De duiven waren nog niet gelost en ik had speling om de boel te repareren. Toen het na verloop van tijd me niet lukte om het euvel te verhelpen, haalde ik teamlid Albert op. Gewapend met een zak vol spullen en een werkende antenne, ging hij met me mee en rond het middaguur was de klus gefikst. Eén van de zeven antennes bleek het begeven te hebben. Ondanks de handigheid van Albert op computergebied, bleek herstel niet mogelijk en bracht de meegenomen antenne van Albert uitkomst. Hulde, Albert! Komende week wordt een nieuwe diepvries geleverd, het herstel van de spoelbak was via bouwmarkten en willekeurige keukenleveranciers niet te realiseren. Gelukkig had de leverancier van de keuken een originele reparatieset op voorraad en maakte: “Keukenhof van Holten” reclame door dit snel en gratis aan te bieden. Nieuwe kippen hebben we ook. Ik haalde twaalf jonge hennen “tegen de leg”. Ze zaten een uur in de mand en in dit uur legden ze zes eieren. “Aan de leg”, is een betere omschrijving. Mooie, jonge, bruine kruisingsproducten met witte leghornbloed. Ik had een groepje hanen die nooit bij een hen gelopen hadden en maakte vier toompjes. Zelden zulke gelukkige hanen en hennen gezien. De hanen maakten elke dag ruzie met elkaar en nu veranderden ze in zorgzame haremleiders. De hennen kenden nauwelijks daglicht, alleen meel en nu ineens was er vrijheid, groen, scharrelgelegenheid en ging er een nieuwe wereld voor hen open. Jong geluk en zeker geen pech!

Geheim

Is er een geheim om met de jonge duiven sterk te spelen?  Die vraag kun je stellen aan de familie Eijerkamp. Ooit was er een tijd, dat het spel met de jonge duiven een “crime” was bij Eijerkamp. Een ondergeschoven kindje zogezegd. Grote verliezen jaar in jaar uit en niet de monsteruitslagen, zoals ze heden ten dage gemaakt worden. Hans en Evert Jan kunnen dit beamen. Toen Martin en Joke tien jaar geleden naar Greenfield Stud verhuisden, was er een wereld te winnen. Het spel met de duivinnen had men bij Eijerkamp tot kunst verheven, maar jonge duiven werden vaak met knikkende knieën ingekorfd. In 2015 veranderde er met de komst van Martin en Joke al een heleboel. Ze hadden een duidelijke eigen visie en bij Eijerkamp kregen ze de ruimte om de bakens te verzetten. Helaas beleefde Martin slechts één volledig vliegseizoen. Eind 2015 openbaarde zich de ziekte, die hem een half jaar later fataal werd. Hij zette een nieuwe koers in, die hij niet af kon maken. De komst van soigneur en vakman Oliver Sabol betekende de definitieve doorbraak. Vanaf nu was Eijerkamp ook met de jonge duiven een nationale topper en specialist. Waarmee ik overigens niets af wil doen aan de bijdrage van Kees, Joke, Esther en allen die op de vlieghokken hun bijdrage leveren of leverden.

Geluk (2)

Geluk moet je afdwingen. De topbiljarter raakt zijn bal net wel. De mindere biljarter net niet. Dat is talent en vakmanschap van de topper. Dat mag je geen geluk noemen. Als ik kijk naar de vroege duiven op ons hok van Asten, dan dank je dat aan meerdere factoren. De duiven moeten gezond zijn en goed voorbereid. Er is echter meer. Ligging speelt een rol. Sando zie ik als een enthousiaste liefhebber. Jeugdige energie, ambitie in overvloed en potentie. Toch arriveert zijn eerste duif pas ongeveer twintig minuten na onze eerste duif. Zelfde vlieglijn, zelfde woonplaats en een mooie ploeg duiven in de strijd. Verklaar het maar. Van de ene kweker hebben we vijf duiven in het snuitje van de uitslag, van de andere kweker geen. Toeval? Geluk? Ik weet wel beter. Natuurlijk maakt één zwaluw geen zomer en komen er nog een heleboel vluchten met grotere afstand en zwaardere condities. Toch analyseer ik vanaf de allereerste vlucht alle beschikbare data. De kweker met de vijf vroege nazaten is al enkele jaren onze numero uno op het kweekhok. Niet vanwege zijn vele teletekstwinnaars en Olympiadeduiven in het voorgeslacht, maar vanwege zijn bewezen kweekwaarde op eigen hok. Onze op één na beste kweker maakt zijn reputatie ook meteen waar. Vier kinderen vroeg op de uitslag. Je kunt dat afdoen als toeval en geluk, maar ik weet beter. Gisteren was ik kortstondig op bezoek bij mijn sympathieke clubgenoten Johnny en Annet. Ze zaten te wachten op de duiven van Bordeaux. Een zware dobber op de dag, dat voor jonge duiven door de NPO code rood werd afgegeven. Johnny investeerde in zijn leven al veel geld in topduiven. “Steeds meer kom ik tot het besef, dat je er met daverende stamkaarten alleen niet komt. De besten kweek je uit de duiven, die het op jouw hok hebben laten zien”. Ik heb dezelfde ervaring. De duiven die het op jouw hok, met jouw manier van verzorgen en jouw condities hebben bewezen, daar heb je de meeste kans mee in de kweek. Heb je een duif, die met verschillende partners winnaars en asduiven geeft, dan ben je spekkoper. Met “papieren tijgers” zonder bewijzen op eigen hok, ga je de bietenbrug op. Dat geldt voor de fond en voor eigenlijk alle speldisciplines. Geluk komt je zelden aanwaaien. Je kunt het beter afdwingen! Er wachten nog twee feestjes vanmiddag. Ga me gauw douchen. (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (8)

Op hoop van zegen (8)

Eindelijk

José is een dagje de hort op met vriendinnen. Of moet ik zeggen goeie kennissen, want echte vrienden zijn net zo dun gezaaid als echte topduiven.  De duiven zijn verzorgd, de groentetuin ligt er in mijn ogen strak bij. Het bedrijfsterrein van broer Henk behoeft geen snoeibeurt en bij de duivenclub heb ik onlangs ook geschoffeld en gesnoeid om het enigszins representatief te houden. Een kleine bijdrage, vergeleken bij sommige clubgenoten, die soms vier dagen per week op de club zijn en waar ik echt respect voor heb. De toegezegde bezoekjes aan enkele dierbare oud-collega’s kunnen wachten en de aan José beloofde klussen in huis zijn in mijn ogen evenmin spoedeisend. Eindelijk een goed moment om achter de laptop te kruipen en nummer acht te produceren. De jonge duiven africhten is wel broodnodig, maar het weer is ongeschikt. De oudste groep junioren is één keer in Ravenstein geweest en daarmee voldoe ik nog niet aan de Martin Geven doctrine, die voorschrijft, dat je in onze omgeving drie keer over de grote rivieren afgericht moet hebben. De 14 duifjes op naam van José zijn twee keer in Elst geweest. De eerste keer kostte dat haar vier troeven. De tweede keer, eergisteren, verliep voor haar vlekkeloos. Voor José had ik twintig ringen (Lady’s League). Onze laatst gekweekte junioren had ik voor haar gereserveerd. Twintig stuks dus en de zusjes “Lieve 999” en “Lize 000” waren van de vijfde ronde en begin april geboren. Voldoen dus nog niet aan de 100 dagen limiet van WdB. Toch wil ik ze volgende week spelen op de eerste vlucht. Dat vergt dus veel geduld en voorzichtigheid. Ik bracht ze de afgelopen weken weg naar de kerk en de Voorsterklei. “Kippeneindjes”  van één tot drie kilometers. Toen naar het pontje van Bronkhorst (hemelsbreed ongeveer 5 km) en vervolgens “Doesburgse Dijk” (plm. 12 km). Ze zaten al in het hok, toen ik thuis kwam. Dat is gevaarlijk, want je wordt dan overmoedig en overschat je favorietjes. Doordat de weg bij Brummen is afgesloten vanwege werkzaamheden, besloot ik het over een andere boeg te gooien. De traditionele volgende stap (Velperbroek) besloot ik over te slaan en via de A 50, waar momenteel richting Apeldoorn nog wel aan de weg gewerkt wordt, maar de belemmeringen zijn opgeheven, reed ik richting Elst (30 km). Het weer was omgeslagen van koel met westenwind, naar behoorlijk warm met oost in de wind. Dan moeten er alarmbellen gaan rinkelen. Niet dus! Vroeg in de ochtend en samen met de oudere jongen zou dat moeten kunnen. Dacht ik. Voor jongen van tien weken oud, was dat iets te veel van het goede. De oudere junioren kwamen vlot naar huis, maar de duifjes van José hadden onderweg blijkbaar de aansluiting gemist. Eén voor één druppelden ze met grote tussenpozen binnen. Ook de volgende dag nog drie. Helaas bleven er vier van de achttien definitief achter. Dat nam ik mezelf kwalijk. “De knupkes moeten er toch op”, zeiden Martin en Joke altijd. Ze moeten een keer één voor één, of na een nachtje buitenslapen, thuis komen om een grote jongen of meid te worden. Ik probeerde me met hun woorden te troosten, maar in mijn hart voelde ik me schuldig. Niet alleen hoogmoed, maar ook overmoed komt voor de val!

Lossen

Iedere duivenliefhebber heeft bepaalde plekjes, waar hij zijn duiven naar toe brengt in de africhtingsfase. Zelf heb ik die ook. Soms neem je afstand van lossingsplekken. De vervallen, oude steenfabriek bij Velp was jarenlang een favoriete plek voor veel liefhebbers. Enige jaren geleden greep een havik kort na lossing één van mijn duifjes. Dat is frustrerend, maar kan gebeuren. Toen ik de volgende keer weer bij de steenfabriek loste, gebeurde precies hetzelfde. Blijkbaar zat er een havik braaf te wachten op de volgende duivenhouder, die voor het “voermoment” zorgde. Onze duiven zijn te dierbaar om ze als haringen in het Dolfinarium te voeren aan de roofvogel. Bij die steenfabriek kom ik nooit meer! Er zijn echter meer gevaren bij het lossen van duiven. Vorige week loste ik de duiven van José op ongeveer 10 kilometer van huis. Na de slecht verlopen eerste Elst, wilde ik de draad weer oppakken. De plek was voor mij nieuw, de zon stond verblindend aan de hemel en er was veel wind. Ik opende de achterklep, keek of de kust veilig was en opende de mand. De duiven twijfelden en toen ineens schoten ze eruit. Ze namen een verrassende koers en één duifje vloog op nog geen halve meter hoogte tegen een onverwacht verschijnende auto. Ik zag het voor mijn ogen gebeuren en kon mezelf wel voor het hoofd slaan. De jonge automobilist reed kalm en schrok van de duiven, die hem tegemoet vlogen en over en naast zijn auto het luchtruim kozen. In gedachten zag ik veren en bloed, maar er zat een engel op mijn schouder. De duif landde op de pootjes voor de inmiddels stilstaande auto en vloog binnen een seconde weg, alsof er niets gebeurd was. Ik was er niet gerust op. In gedachten zag ik het onschuldige beestje alsnog dood uit de lucht vallen. Hoe kon ik zo roekeloos lossen? Ben je gek met ieder duifje, behandel je ze alsof het je kinderen zijn en dan zoiets! De automobilist reed lachend verder. Heeft waarschijnlijk niets gehoord, of gezien en was mogelijk verbaasd, dat er een duif vanaf de weg voor hem opvloog. Onderweg in de auto werd ik misselijk. Telkens keerde het beeld van dat ene duifje terug op mijn netvlies. Het was een vetblauwtje en in het groepje van José zitten drie vetblauwen. Ik kon me niet voorstellen, dat het duifje terug zou keren in Gietelo. Thuis gekomen ging ik meteen, maar met lood in de schoenen, naar het hok. Alle duifjes waren thuis en zaten op me te wachten. Ik kon het amper geloven. Pfff…  De drie vetblauwtjes werden secuur van top tot teen bekeken, maar er lag geen veertje verkeerd. Ik keek als een topvoetballer naar de hemel om de hogere macht te bedanken voor dit kleine wonder. Voor hetzelfde geld heb je een dode duif in de auto en een schadeclaim aan de broek! De moraal van dit verhaal? Kijk heel goed uit bij het lossen van je duiven. Als ze uit een donkere mand stormen met z’n allen, zien ze de eerste tientallen meters niets. De ogen moeten zich aanpassen aan het verblindende zonlicht en door de wind nemen ze vaak een onverwachte, gevaarlijke wending. Blijf weg bij benzinepompen, met onverwacht verkeer en allerhande obstakels. Hou rekening met verkeersborden, lantaarnpalen en andere hindernissen. Kijk uit, als je vlak bij een snelweg lost, want duiven kiezen door de wind soms een onlogische start en vooral vrachtwagens zijn gevaarlijk. Dat weet Albert als geen ander. Hij woonde destijds in het Tolhuis te Voorst en als hij de duiven losliet, vlogen de duiven laag over de heg over de drukke Rijksstraatweg, soms rakelings voorbij aanstormende vrachtwagens. Ik zag het met eigen ogen. In 2019 vloog bij Bram een overgewende favoriete asduif, pardoes tegen een lantaarnpaal bij de dagelijkse training. Kaduuk! Zon, wind, verkeer, roofvogels en obstakels. Kijk goed uit, als je een mand open trekt! Ik hoop, dit jaar 72 te worden en heb al heel wat mandjes geopend. Altijd voorzichtig en dan maak je met al je ervaring een beginnersfout, die bijna fataal afliep.

Roofvogels

Opgekropte frustratie is voor mij de belangrijkste drijfveer om een blog te maken en de ellende van me af te schrijven. In maart en april had ik veel last van kromsnavels. In mei nam de overlast zienderogen af. Het laatst gespeende jong op 4 mei, met een ring om van een overleden jong, werd met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in juni gepakt door de slechtvalk. ‘903 was dit jaar niet ons geluksnummer. Tenminste tien duifjes vielen ten prooi aan roofvogels. Drie keer zag ik het afgelopen jaar het fatale moment voor mijn ogen gebeuren. Eén keer verjoeg ik de vrouwtjessperwer van een geslagen duif op ons gazon. Deze ’27 kreeg de toepasselijke naam “Sperwer”. Tot mijn verrassing kreeg deze duivin afgelopen dinsdag haar chipring om. Ze liep blijkbaar geen trauma op. Ze was piepjong, zat maximaal drie seconden in de greep van de sperwer en liep amper verwondingen op. Niet beseffend, dat ze bijna wijlen was. Een andere verklaring kan ik niet bedenken. De overige keren was het de mannetjeshavik, die nog piepende en zwalkend rondvliegende junioren, moeiteloos uit de lucht schepte voor mijn getergde ogen. Halverwege mei begonnen de duiven hier aan huis prima te vliegen. Na het loslaten meteen uit het zicht vertrokken. U kent dat. Zulke duiven hebben weinig van roofvogels te vrezen. Zeker de havik, een echte opportunist, weet dan genoeg. De slechtvalk is een ander verhaal. Als ik een mandje duiven op enkele kilometers van huis gezamenlijk los trek en ze arriveren gezamenlijk thuis, minus één duif, dan denk ik aan de slechtvalk, vooral als ze opvallend lang weg blijven en angstig zijn bij thuiskomst. Met roofvogels moeten we leven in de groene long van de gemeente Voorst. We kweekten voor eigen gebruik ongeveer 100 junioren.  ‘901 t/m ‘980 voor mij  en ‘981 t/m ‘000 van een totaal andere ringenserie voor José. Tot nu toe zijn er plm. 30 weg. Er zijn duiven uitgeselecteerd doordat ze op het gebied van gezondheid of vitaliteit door de mand vielen, er zijn duiven verongelukt of weggebleven van africhtingsvluchten en er zijn duiven gepakt door de kromsnavels. Als er na afloop van de vluchten nog vijftig zitten in Gietelo, hebben we een goed jaar gehad.

Voeren

Meerdere liefhebbers vroegen belangstellend, hoe ik de duiven voer. Ik beloofde er een alinea in een blog aan te wijden. Om met de deur in huis te vallen: ik voer licht en gevarieerd. In de schuur heb ik een batterij voertonnen. Deels bestemd voor de kippen en onze rode kater en ter voorkoming van ratten en muizen. Voor de duiven heb ik één ton gereserveerd voor “junior” voer. Eén ton is voor “recuperatie”. Daarnaast staat de ton voor “vetrijk”. Ook heb ik een ton voor “rijst/ inkorving” en een ton “detox”. Die laatste ton is een experiment en geïnspireerd door voerspecialist Willem Mulder. Ik voer op gevoel, rekening houdend met gewicht van de duif, buitentemperatuur en omstandigheden. Gerst is voor mij geen vies woord. Onze duiven eten het graag. Deels in de vorm van gort (gepelde gerst). Ik herinner mij uit mijn jonge jaren, dat er liefhebbers waren die aan hun junioren gebroken kippenvoer gaven en beter speelden dan liefhebbers die geloofden in duivenbonen en erwten. Mijn gewezen leermeester en boezemvriend Jan P. Suijkerbuijk was gek op gerst. Menig keer vroeg hij me een zak dikke (brouwers)gerst voor hem mee te nemen. Jan had namelijk geen auto. Ook zag ik hem dikwijls handmatig de erwten verwijderen uit het voer voor de weduwnaars. Van wijlen Jan de Visser uit Axel kreeg ik de tip variamax te voeren aan de jongen. Mijn favoriete voer is gevarieerd en licht. Paddy en rijst vormen een prima aanvulling en goed bij warm weer, alsmede inkorving. Eigenlijk is voeren heel logisch. Bij warm weer hebben duiven minder energie nodig om zich te verwarmen en bij koud weer is het andersom. Daar hou je rekening mee. Als duiven te licht worden, voer je wat meer en wat zwaarder en omgekeerd. Bij een vitessevlucht voer ik de duiven niet speciaal op. Als de afstanden groter worden en de verwachte omstandigheden moeilijker, anticipeer je daarop. De ton “vetrijk” wordt dagelijks benut. Voor de variatie en een gladde pluim dagelijks een greepje door het voer en vanzelfsprekend meer als er echt gewerkt moet worden. Mijn manier van voeren: ’s ochtends na het opheffen van de verduistering gaat het schuifje naar de ren open en stormen de duiven de ren in. Ik voer ze dan een klein beetje op de voertafel. Laat mijn handen door de driftig pikkende bende gaan en bekijk en voel hoe de duiven er uit zien. Zo krijg je vanzelf tamme duiven. Deze manier van werken is ingegeven door mijn allergie. Eerst de rennen schoonmaken zonder duiven in de buurt. Daarna, als de duiven in de ren zitten of buiten vliegen, de hokken kuisen. Zo min mogelijk stof veroorzaken. De duiven zitten in de rennen op roosters, in de hokken overwegend op metselzand en voor een klein deel in combinatie met een dunne laag stro. Elke ochtend zeef ik het zand. Ik haal de ongerechtigheden/ mest met mijn blote handen tussen het zand vandaan en zeef het in een bloembollenzeef. Die haalde ik bij tulpenboer Arjan Wesselink. Goeie investering. De zeef gebruik ik in het seizoen dagelijks en gaat jaren mee. Een schoofje tulpen kost beduidend meer en gaat maar een week mee. Het dagelijkse cleanen en zeven van de zandvloer kost me vijf minuten per dag, dus dat valt ook mee.  Na het vliegen mogen ze even in de tuin rondbanjeren. Ik ben in de buurt en strooi her en der wat kleine hoopjes met grit en mineralen, vermengd met wat rijst of detoxvoer. Ter afleiding. Zodoende slopen ze me niet de hele groentetuin. Ik maak het mengsel een beetje vochtig met de inhoud van de fles Naturaline, die ik onlangs aanschafte. Verder bezwijk ik in de voerhandel niet voor de schappen met allerhande ondersteunende poeders en drankjes. Iedereen moet doen waar hij/ zij zich goed bij voelt, maar ik hou het liever simpel en dicht bij de natuur. Samenvattend kun je stellen: investeren in goed en gevarieerd (licht) voer. Grit en mineralen dagelijks ter beschikking. In de ochtend trainen en voor het loslaten in kleine hoeveelheid licht voeren, bij binnenkomst idem dito en vervolgens de duiven hun portie geven in de ren op de vloerplank. Zorgen, dat ze genoeg krijgen, maar nooit verzadigen. ’s Avonds stormen ze het hok binnen vanuit de ren en krijgen dan genoeg te eten. In mijn optiek hebben ze voldoende gehad als meerdere duiven de waterbak op zoeken om te drinken. Daarna worden de voerbakken aan de wand opgehangen, om geen muizen aan te trekken. En verder?  Mijn tuin staat ten dienste van de duiven. Ze mogen er even grasduinen, maar ik zie erop toe, dat ze de boel niet “vernaggelen”. In de ren krijgen ze hun krop sla. Volledig natuurlijk verbouwd, zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Liefst iets doorgeschoten met kluit.

Kwaliteit

In de duivensport draait het uiteindelijk altijd om de intrinsieke kwaliteit van de duif. Als ik terugdenk aan voor mij extreem goeie duiven, dan waren er altijd een heleboel hokgenootjes, die gewoon een simpel prijsje in de middenmoot of nog minder behaalden. Het zit dus niet in poeders of flesjes. Zonde van de centen en als je pech hebt, werkt het averechts. Op eigen hok proberen we door streng te selecteren op prestatie, vooruit te komen. We vertrouwen daarbij met name op de prestaties , die op eigen hok behaald zijn. Met onze voermethode en onze manier van doen. Natuurlijk zoek je altijd naar nieuwe, betere bloedlijnen. Jaarlijks proberen we op bescheiden schaal nieuwe duiven uit. Vaak uit duiven gekweekt, waarvan de (groot)ouders een vermogen gekost hebben. In de regel zijn de nieuwe probeersels laatjes of laatzomerjongen. Je moet dan aftasten, hoe je ze moet koppelen. Soms krijg je al heel snel de bevestiging, dat het veelbelovend is. Meestal blijken het “nieten”, net als in een loterij. Afgelopen week verspeelden we twee nestmaatjes van een africhting dicht bij huis. Uit zo’n veelbelovend talent met grootouders van onbetaalbare wereldklasse. Natuurlijk verdient zo’n laatje nog een nieuwe kans, maar dan moet het  wel snel duidelijk zijn. Aan “papieren tijgers” zonder kweekwaarde heb je niks!

Succes

Volgende week met de jongen voor het echie.  De één speelt scherp en speelt voor de vroege prijzen. De ander speelt om de jongen ervaring te laten opdoen. Jonge duiven, die in hun geboortejaar alleen de natour in een klein spreidingsgebied spelen, komen het jaar erop vaak van een koude kermis thuis. Toch klopt dit niet altijd. Eijerkamp speelt afgelopen week op Gray 1 en 3 in de GOU met twee jaarlingnestbroers, die alleen natour deden. Eijerkamp kennende, zullen ze wel uitgebreid afgericht zijn, maar toch. Waarschijnlijk onverduisterd in hun jeugd en niet geforceerd door weduwschap, nestjes e.d. Uitzonderingen bevestigen echter de regel. Clubgenoot Cor Wenink denkt puur overnachtfondgericht. Hij speelt zijn jongen het liefst op de vroege tour. Het gaat hem vooral om de ervaring die ze opdoen, ook in een groot spreidingsgebied en met twee nachten mand. In eigen club hebben we vooral fondliefhebbers. De meesten spelen met de junioren op de natour, op de taartvluchten, of helemaal niet. Ik ben geen fondspeler, maar opteer voor de methode van Cor Wenink. Zijn prestaties op het zware werk bewijzen, dat zijn doenwijze vergelijkenderwijs niet verkeerd is. Er zijn vele wegen, die naar Rome leiden, maar van St. Vincent naar de gemeente Voorst telt alleen de kortste weg. Zonder brede ervaring vind je die niet. En voor allen die vrijdag de jongen inzetten: zorg dat ze gezond zijn, fatsoenlijk afgericht en laat ze bij twijfel nakijken door een deskundige duivendierenarts. Desnoods sla je de eerste vlucht over. Succes!
(wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (7)

Op hoop van zegen (7)

Verwerking

Onderwijzers zijn vaak van nature belerend. Educatief ingesteld. Je hoeft echter geen onderwijzer te zijn, om deze eigenschap bij jezelf te ontdekken. Het zit waarschijnlijk in de mens. Ouders trachten hun kinderen iets bij te brengen, net als mensen nieuwe collega’s wegwijs willen maken. In ieder mens zit het in meerdere of mindere mate. Dat ik een blog produceer, heeft ook iets educatiefs. Via jouw verhalen wil je anderen iets leren, of deelgenoot maken van je ervaringen. Misschien kun je het troosten noemen. Gedeelde smart is halve smart. Het helpt de zender van het bericht, om teleurstelling te verwerken, of dingen beter te begrijpen. Op scholen is dit principe bekend. Door medeleerlingen iets uit te leggen, ga je het probleem zelf beter begrijpen. Als ik dingen meemaak, schrijf ik ze van me af. Ik ga dingen uitleggen in de hoop ze zelf beter te begrijpen, of ik zoek troost. Ondervinding is de beste leermeester, maar soms leer je van andermans fouten. De lezer van de stukjes is leergierig, weetgierig, of zoekt (on)bewust troost.

Roofvogels

Daar heeft tegenwoordig iedere postduivenhouder mee te maken. Afgelopen dinsdag had ik de oudste groep van 28 stuks los. Ze vlogen langdurig. Ik was lichter gaan voeren en bracht het daarmee in verband. Terwijl ik met de kruiwagen halfverteerde compost naar de voor reed, hield ik een oogje in het zeil. Tot ik me realiseerde, dat er nog een afwasje gedaan moest worden en ik José niet wilde teleurstellen. Vanuit het keukenraam zag ik de schaduw van de vliegende duiven, die mooi compact rondvlogen. Op zeker moment waren ze uitgevlogen, landden op het hok en daarna doken ze meteen de tuin in. Tevreden zag ik ze scharrelen, maar enkele tellen later spatte de hele groep uiteen. Op nog geen meter hoogte leken ze recht op onze woning te botsen. Ik rende naar buiten en zag op ongeveer zes meter van ons huis een sperwervrouw op het gazon op een duif zitten. Toen ik naderde, liet ze de duif los en vloog geschrokken weg. De duif kroop vervolgens onder de brede coniferenhaag. In de lucht was geen duif te bekennen en ik verkende de omgeving, op zoek naar eventueel gewonde duiven. Achter het hok zat een trillende duif. Verstijfd van angst, kon ik haar zo oppakken en in het hok zetten. Intussen  vlogen er toch weer duiven op grote hoogte en hergroepeerde de koppel zich. Ik maakte een foto op mijn mobiel en stuurde die per ongeluk naar één van mijn compagnons. Een goede verstaander heeft aan een half woord genoeg: “26 stuks”, was het antwoord per omgaand. De prooi had zich onder een stapel bouwmaterialen verstopt, achter de coniferenheg. Ik hoefde niet verder te zoeken. De 27 duifjes liet ik in de ren en aan het eind van de middag zat ook “de pech- of geluksvogel” vrijwel ongedeerd in het hok. De ‘927 heet voortaan “Sperwer”.  Of zo’n duif nog van waarde is, moet blijken. Vaak zijn het angsthazen, die bij een volgende roofvogelaanval in doodsangst de koppel verlaten en daarmee meestal hun doodvonnis tekenen.

Sperwer

“Hoe zag je zo snel, dat het een sperwervrouw en niet een havik was?”, vroeg José bij thuiskomst van de sportschool. Ik probeerde het uit te leggen. Een sperwer overrompelt een duif. Ze zat ongetwijfeld al in één van de hoge eiken te loeren en waarschijnlijk hadden de duiven dit in de gaten. Daarom vlogen ze zo langdurig. Op een bepaald moment gaan ze toch landen en onervaren als ze zijn, duiken ze dan hun vertrouwde tuin in. Dat is het moment, waar mevrouw sperwer op wacht. Vanuit hinderlaag nadert ze vliegensvlug en vaak slaat ze dan een duif, die net los komt van de grond en nog amper snelheid heeft. Sperwer en duif landden op het gazon, vlak bij de woning. Met haar iele, relatief lange poten met vlijmscherpe nagels, doorboort ze als het ware de prooi en begint ze ter plekke te peuzelen. De prooi verplaatsen lukt mevrouw niet. Hooguit enkele meters. Dat zie je, als er veerresten in de directe omgeving in de tuin, dichtbij het hok liggen. Dan zie je een plukplek en enkele meters verder nog een plukplek met soms de resten van de duif. Er is een wetmatigheid, die ik uit eigen ondervinding optekende. Als de sperwervrouw net begonnen is aan haar maaltijd en nog hongerig is, dan keert ze vaak binnen tien minuten retour naar “haar” prooi, als ze gestoord wordt.  Met eigen ogen zag ik, dat mevrouw wel probeert haar prooi mee te nemen, maar verder dan enkele meters komt ze echt niet!  Een plukplaats vlak bij je hok is voor 99% zeker het werk van mevrouw sperwer! Meneer sperwer is een klein vogeltje. Twee jaar geleden vloog er één naar binnen bij de aanleunwoningen van moeder in Twello. In de glazen pui met automatische deuren, was het beestje terecht gekomen, toen hij een mus achtervolgde. Wanhopig vloog hij tegen de grote ramen en in het trappenhuis ving ik hem. Het formaat van een tortelduif!  Met zijn scherpe nagels klemde hij mijn vingers af en veroorzaakte bloedende wondjes. Moeder Toos stond erbij toen ik hem losliet op haar balkon. Leven en laten leven …..  het is de schepping.

Havik

Een dag later had ik de tweede groep los. Die kunnen vliegen, alleen beseffen ze dat zelf nog niet helemaal. Het liefst laat ik ze voor het eerst los bij windstil en regenachtig weer, maar dat heb je niet voor het uitkiezen. De junioren hebben in de spoetnik gezeten, op het hok en in de tuin en dan wordt het tijd, dat ze het hogerop zoeken. Het is wel belangrijk, dat duiven elkaar buiten het hok als soortgenoten herkennen. Dat is namelijk niet vanzelfsprekend. Geleidelijkheid is het sleutelwoord!  Op zulke dagen, ben ik het liefst in de tuin bezig, om een oogje in het zeil te houden. Spittend in de tuin, met “Garfield” liggend op een ingedroogde mesthoop, zal de sperwervrouw niet zo snel toeslaan. Garantie is er niet, want ik maakte al mee, dat mevrouw een duif overrompelde op nog geen twee meter afstand van mijn schoenen. Ze heeft dan zoveel focus op de duif, dat ze de mens over het hoofd ziet. In deze periode ben ik meer beducht voor de havik. Momenteel is het mannetje erg actief. Haviken beginnen in maart meestal aan hun broedsel. Net als zwanen, zijn haviken elkaar vaak levenslang trouw en gebonden aan een vast territorium. Meestal hebben ze meerdere nesten, die “horsten” genoemd worden. Vanwege parasieten wisselen ze nog weleens. Het vrouwtje legt meestal 3 tot 4 eieren en in deze fase mag het mannetje zich bewijzen als jager. Ze paren regelmatig en het lijkt erop, dat dit een soort beloning en aansporing is voor hem. Haviken broeden ongeveer een maand, daarna hebben ze nog meerdere weken werk aan het groot brengen van de jongen. Moeder valt in deze fase in de rui en wisselt haar slagpennen nu manlief de zorg voor de jacht op zich neemt. De mannetjeshavik heeft momenteel de trek op de jonge duiven in Gietelo. Nu ze nog niet in een koppel vliegen, kan hij de onbeholpen junioren gemakkelijk uit de lucht plukken en is het thuis gekomen “een wippie voor een kippie”. Woensdagavond ontbrak er een junior van de tweede groep. Je kunt niet de hele dag alles in de gaten houden, maar weet eigenlijk wel hoe laat het is. Donderdag moest de tweede groep wel weer los. Ze begonnen aardig gegroepeerd te vliegen. Terwijl ik aan de volgende voor bezig was, waren er ineens een hoop kraaiachtigen in de lucht. Ook de kippen sloegen alarm. Ik keek omhoog en zag meneer havik, die op het punt stond zijn prooi te scheppen in de lucht. Van echt jagen is geen sprake. Het is als karpervissen in een vijver van drie meter doorsnee. Ik klapte in mijn handen en begon te schreeuwen. In de buurt gingen er deuren open en begonnen er honden te blaffen. “De buurman heeft weer het gekke halfuur”, zullen ze gedacht hebben. De junioren waren in paniek uiteen gestoven en de eerste prooi wist in de consternatie te ontkomen. Meneer was niet ontmoedigd en dook richting de tweede prooi. Het lawaai op de grond, stoorde hem net voldoende om ook zijn tweede doelwit te missen. Typisch de mannelijke havik. Veel aanvallen en weinig scoren. Driemaal was echter scheepsrecht: een vaal doffertje poogde tegen de wind in te ontkomen. Dat was een kolfje naar de hand van de drieste aanvaller. Kinderlijk eenvoudig achterhaalde hij zijn prooi, ging er boven vliegen en als een helicopter met een onderhangende tank vertrok hij in westelijke richting. “Mister Bussloo”, dacht ik. Nadat Martin en Joke eind 2014 vertrokken bij het voormalige MOP-complex in Bussloo, hebben de haviken Gietelo als jachtterrein. In drie dagen drie keer raak voor een knaak! Of je nu gebeten wordt door de hond of de kat, maakt geen verschil. Daar wordt een mens niet vrolijk van. Het leermoment: vrouwelijke sperwers overrompelen onze duiven vlakbij het hok, als ze op het dak rusten of op het gazon scharrelen. Ze kunnen hun prooi niet vliegend verplaatsen en verorberen die ter plekke. Haviken jagen in de regel op vliegende duiven. Zowel het vrouwtje als het mannetje zijn mans genoeg om hun prooi vliegend door de lucht mee te nemen. Het vrouwtje is het meest gevreesd, vanwege haar hoge scoringspercentage. Het mannetje is een opportunist, die vaak mist, maar zich drie slagen in de rondte werkt om vrouwlief te behagen. De mannetjeshavik wordt qua formaat wel vergeleken met het vrouwtje van de sperwer. Mevrouw sperwer is met haar typische overrompelingstactiek veel gevaarlijker voor onze duiven. Meneer havik is weliswaar qua grootte vergelijkbaar met de vrouwelijke sperwer, maar hij is robuuster en sterker en kan een duif in de lucht vervoeren naar zijn nest of plukplaats. Duiven, die strak in het gelid vliegen en al wat ervaring hebben, weten meestal aan de opportunistische mannelijke havik te ontkomen. Als jonge duiven piepen en nog niet strak in het gelid vliegen de eerste weken, zijn ze een gemakkelijke prooi voor de mannetjeshavik!

Rode wouw

Doordat ik van jongsaf geïnteresseerd ben in vogels en ooit lid was van “Vanellus vanellus”, heb ik diverse abonnementen op natuurgerelateerd leesvoer. “Mijn Natuur” is een voortvloeisel van mijn betrokkenheid bij de kievit, met de eerder genoemde Latijnse naam, waarvan ik automatisch abonnee werd. Een leerzaam blad met fantastische foto’s. Afgelopen editie stond de rode wouw in het middelpunt en op de voorpagina. Twee jaar geleden spotte ik een rode wouw boven Gietelo. Met zijn kenmerkende vorkstaart was hij gemakkelijk te determineren. De rode wouw is vanuit de Ardennen bezig aan een sterke opmars in Nederland. Het goede nieuws: het is een prachtige roofvogel, maar geen bedreiging voor onze duiven. De rode wouw houdt van ruig grasland, wat extensief beheerd wordt. Op het menu staan voornamelijk veldmuizen en woelratjes. Verder is het een aaseter en opruimer, zoals onze bekende buizerd. Naar schatting broeden er enkele tientallen broedparen in met name het oosten van het land en rukt de rode wouw verder op.

Optimist

Van nature ben ik optimistisch. In drie dagen “drie keer raak voor een knaak” betekent niet, dat ik de moed opgeef. Tot na de paasdagen blijven de duiven binnen. Even de routine bij de roofvogels doorbreken. Ik ga dan de onervaren nieuwe groepen in de middaguren de vrijheid geven. De oudste groep durf ik wel in de ochtend los te laten. Ook in voorgaande jaren had ik weleens meerdere dagen op rij pech met de roofvogels. Vooral in de uitwenfase.  April wordt een moeilijke maand, maar daarna wordt het probleem kleiner. In mei is er meer aanbod van jonge prooidieren in de vrije natuur en worden onze duiven slimmer en sneller. “Richt je op de duiven die overblijven”, zeiden Martin en Joke altijd. In 2016 ging ik van 115 duiven bij aanvang, naar 15 stuks aan het eind van de rit. Een ontsnapte of bewust losgelaten “tamme” havik pakte toen in haar eentje 60 duiven in Gietelo. Er zit een triest verhaal achter, dat ik later hoorde, maar in dit verband niet relevant is. Toen kon ik de duiven niet aan huis los laten en bracht ik ze enkele keren per week naar Ravenstein als training. Wie dat overleeft, kan alles aan. Vorig jaar begonnen we met 100 stuks en eindigden met 50. Dat was voor Gietelse begrippen een meevaller. Wie dichtbij hoogspanningsdraden duiven houdt, weet wat er kan gebeuren. Wie in de uiterwaarden woont, is gewend aan natte voeten. Bertus v.d. Esschert in Welsum had zijn duivenhok ooit in het IJsselwater staan. In Gietelo wonen we in het leefgebied van verschillende roofvogels. Dan weet je vooruit, dat je in het gunstigste geval tien duiven voor de roofvogels kweekt. Leuk is het niet, maar er zijn ergere dingen! (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (6)

Op hoop van zegen (6)

Klusdag

Gisteren hadden we bij Steeds Verder onze traditionele “klusdag”. Deze keer geen subsidie van “Heel Holland doet”, omdat er geen speciaal project viel aan te wijzen. Wel poetsen, papier voor in de manden snijden, dweilen, goten reinigen, schoffelen en snoeien. Bestuurslid Stefan Jansen is jaarlijks de onmisbare spil en werkverdeler. Hij heeft de materialen en het gereedschap en zorgt voor de afvoer van blad. Voor de technische klussen op bouwgebied hebben we ook de know how en uitvoering in huis, maar deze keer waren Frits en Sven daarvoor niet nodig. Je merkt, dat de club kleiner en minder vitaal wordt, maar we proberen stand te houden richting het honderdjarig bestaan.

Duivensportcentrum

Afgelopen week trof ik Ap van Cittert en echtgenote bij van der Bijl. Ze haalden er duivenvoer en aanverwante zaken. Zelf ben ik er trouwe klant. Duivenvoer, kippenvoer, kattenbrokjes, groenteplantjes, bollen, bloemzaden, meststoffen en tuingereedschap, sleep ik er vandaan. In het seizoen kom ik er wekelijks en tref dan soms bekenden. Gezellig even bijkletsen en een beetje roddelen. Ap was lichtelijk ontdaan en moest zijn hart luchten. “Er zijn de laatste tijd weer veel bekenden uit het duivenwereldje in  mijn omgeving overleden. Fondman Ben Hendriks is overleden, Mike Wensveen (84) leeft niet meer, Gerrit Veldhuis (89) is in februari vlak voor zijn negentigste verjaardag overleden en onverwacht is sportvriend Cramer (70) dood gevonden in zijn huis. Een dag ervoor was hij nog op mijn 75e verjaardag”.  Het is de teloorgang van de duivensport. Liefhebbers vallen weg en er is geen enkele aanwas. Het trotse Apeldoornse Duivensportcentrum, ooit het voorbeeld van onderlinge samenwerking en solidariteit, is onlangs ook verkocht. Ik herinner me verenigingen als Union, Juliana, Wilhelmina, Apeldoorn  en de destijds superieure Vale Ouwe, die er gehuisvest waren. Ook p.v. Beatrix, maar of die club er ook gevestigd was weet ik niet zeker.Twee verenigingen elders in Apeldoorn houden met enige moeite nog dapper stand.  Van duivensport in het Duivensportcentrum is vrijwel niets over.  De laatste dapperen hebben zich onder de paraplu van “Vale Ouwe” verenigd, maar het is vechten tegen de bierkaai! Onderweg naar huis word ik overvallen door nostalgische gevoelens. Ik denk terug aan enkele jaren geleden, toen José en ik Ben en Annie toevallig troffen op station Assel. Er zaten tientallen mensen op het terras in het zonnetje en ineens hoorde ik het woord “Barcelona”. Ik keek om me heen en zag Ben zitten, die toen al geen schim meer was van de gymnastiekleraar van weleer. In 1997 stonden we samen als standhouders op de allereerste grote postduivenbeurs in China en we haalden samen mooie herinneringen op. Mike Wensveen was ook een bijzondere liefhebber. Hagenees van oorsprong en met een hoge rang in het leger. Mike zat destijds in een relatie met vriendin  Anneke en schreef stukjes over de duivensport. Zo leerde ik hem kennen. Aardige vent, maar we verloren elkaar uit het oog. De kleine Gerrit Veldhuis was een bijzonder goeie en serieuze liefhebber. Met zijn “broer” Fokko Schouwstra dwong hij respect af  “met de kleine korf”. Ik herinner me Gerrit als een echte liefhebber en bijzonder aimabele man.  Liefhebber Cramer was ooit lid in Eerbeek. Sander leerde hem daar destijds kennen. Ten gevolge van keelkanker had hij het bekende gaatje onder zijn hals. “Hij sprak zonder luidspreker met zijn eigen techniek goed verstaanbaar en nam voor ons het voer mee. Ik kan het nog nauwelijks bevatten. Hij korfde altijd in, dus we gaan hem op alle fronten missen”, aldus de voormalige huisschilder van Cittert.

Raymond

Voordat deze versie een verkapte grafrede wordt, schakel ik over op een leuker onderwerp. Toen ik afgelopen winter in onze eigen club een bonnetje van Raymond Ramaker aan de man moest brengen tijdens de clubveiling, was de animo voor deze bon gering. Ten onrechte! Raymond is een herstarter met een verleden als jeugdlid in afd. Salland. Door omstandigheden moest hij de duivensport destijds opgeven. Ik herinner me de jeugdige Raymond, met zijn lange golvende lokken, nog als de dag van gisteren. Enthousiaste jongen en gepassioneerd duivenliefhebber. Hij ging de bouw in, vestigde zich in Den Ham, startte een eigen bedrijf, met inmiddels 14 mensen in dienst en verloor enige jaren geleden zijn moeder op  tragische wijze op 62-jarige leeftijd. Gelukkig getrouwd, drie gezonde kinderen, een goedlopend bedrijf. Wat kan een mens zich nog meer wensen?  De één denkt aan een boot, de ander aan een Ferrari en Raymond dacht aan postduiven. Oude liefde roest niet. Toen in Twello iedereen zat te slapen en ik de bon voor een habbekrats kon kopen, bedacht ik me geen moment.  Gisteren gingen Sander en ik naar Den Ham. Mooie omgeving en prettige ontvangst. We waren op zijn goed doordachte en verluchte hokken en kregen twee prachtige jongen mee uit zijn kweekboxen. Hoewel hij komend jaar voor het eerst gaat spelen met tweejarige duivinnen  (twee duivinnen op één doffer), weet Raymond precies wat hij wel en niet wil. Een winnaarstype met passie voor de duivensport, waar we nog van gaan horen!

Vleugelproblemen

Toen we bij de hokken van Raymond stonden, vlogen de 48 duivinnen in de blauwe lucht. Zigzaggend en met veel spirit doorkliefden ze het luchtruim. Dat zien we graag, maar het houdt ook een risico in. Terwijl 47 duivinnen zich skyhigh uitleefden, zat er ineens een blauwe duivin op de valplank van het zolderhok. Dan schrik je en weet je, dat er iets niet in orde is. Even later zat de duivin op de grond. Ze wilde opvliegen tegen het gaas van de ren van de junioren. Op zoek naar haar oude hok, denk je dan als buitenstaander. De ren bevindt zich ongeveer 80 centimeter boven het maaiveld en de duivin viel pardoes terug op de grond: vleugellam!  Raymond baalde zichtbaar. “Geen verkeerde, waar ik veel verwachting van heb, maar nu is het dubieus.”  Vleugelproblemen zijn elk voorjaar een serieus item. Duiven hebben lang opgesloten gezeten, hebben gekweekt en worden dan gescheiden. Sommigen denken, dat magnesiumtekort te maken heeft met vleugelproblemen. In de stukjes van WdB schrijft de tandarts er ook over. Hij is beducht voor harde wind in het voorjaar. Soms spelen jagende roofvogels ook een rol. Duiven trainen te onstuimig, raken elkaar met de vleugels in de lucht en dat veroorzaakt vleugelproblemen. Doordat we zelf niet met oude duiven spelen, kennen we het probleem niet persoonlijk. Wat ik hoor, is dat met rust sommige duiven herstellen en anderen definitief hun sportwaarde verliezen. Ik hoop voor Raymond, dat de kwetsuur bij zijn blauwtje meevalt.

Paramixo

Van duivendokter Robert Kasperink vernam ik, dat paramixo bijna wekelijks een item is in zijn praktijk. Een clubgenoot had “draaihalzen” in de nestschotel. Als ouderdieren lang geleden voor het laatst geënt zijn, geven ze de jongen geen weerstand in het ei mee. Ik neem geen risico en laat mijn junioren kort na het spenen enten tegen paramixo/ rota. Het betekent in de praktijk, dat ik meerdere keren naar Emst moet rijden met twintig of dertig jongen, maar dat heb ik er voor over. Enige tientallen jaren geleden, werden we geconfronteerd met junioren, die achteruit liepen, op hun staart zaten en wanhopig naast de korreltjes voer pikten. Wat een trieste bedoening. Bij ons waren het met name de late jongen die getroffen werden. Ik hoop het nooit meer mee te maken, want de beelden staan in mijn geheugen gegrift! Wie laks is, komt mogelijk op de koffie en zit met de gebakken peren. Rap enten!

Garfield

Onze in 2016 in het wild geboren rode kater, zag het leven van zijn moeder en twee zusjes niet zitten. Hij liep steeds achter me aan en probeerde vriendschapsbanden aan te knopen. Hoewel ik als postduivenhouder niet op voorhand gecharmeerd was van de jonge kater, ging ik al snel voor de bijl. Eerst was hij schuw en bang voor aanraking, maar na ongeveer een half jaar was het ijs tussen ons definitief gebroken. Ik kocht kattenbrokjes voor mijn jonge vriend en we werden beste maatjes. Hij slaapt op een deken onder het afdak, vlak bij de achterdeur en wacht me ’s ochtends mauwend op, als ik de deur open. “Garfield” is erg intelligent. Hij is een buitenkat en mag niet binnen komen. Soms staat hij voor de drempel en houdt één pootje roerloos omhoog, terwijl hij me vragend aankijkt. “Mag niet”, roep ik dan en braaf trekt hij zijn pootje dan terug. Hij weet, dat hij niet naar de duiven mag kijken en ik vertrouw hem 100%. Hij is van nature een goedzak, eigenlijk een “watje”. Totaal ongeschikt voor het leven van een verwilderde kat. We hebben veel overeenkomsten. We hebben hem nooit laten castreren. Hij “sproeide” niet en is een voorbeeldig zindelijke kat. Zijn uitwerpselen legt hij in een diepe kuil, die hij als een volleerde doodgraver met veel zorg toedekt. Een fijnere kat kun je niet wensen. Jaarlijks in voor- en najaar is hij kortstondig “van het padje”. Dan is hij op vrouwenjacht en volgt zijn instinct. Steevast is hij dan een etmaal onvindbaar en komt als een gewonde frontsoldaat verfomfaaid en gewond thuis. Wat ze uitspoken in het holst van de nacht weet ik niet, maar het gaat er heftig aan toe! Vorige week was hij na twee nachten nog niet thuis. Een goeie vriendin van hem, die hier regelmatig zijn voerbakje leeg at, werd onlangs aan de drukke rijksweg overreden. Ik maakte al rondjes door Appen, om de bermen af te speuren op zoek naar een vermeend verkeersslachtoffer. “Zul je net zien dat na het overlijden van onze dierbare moeder, ook onze rode vriend aan zijn eind komt”, zei ik tegen José. Hoewel Garfield en ik een sterke band hebben, waar José niet tussen komt, is José veel gevoeliger. “Ik kan mijn draai niet vinden en denk de hele dag aan ons katje”, zei ze meerdere keren. “Zou er een kattenmepper actief zijn in de buurt”, vroeg ik me af. Toen de nood het hoogst was en we bijna in het noodlot gingen geloven, stond meneer ineens op de stoep. Met bloed aan zijn oren en hinkepinkend op drie poten. Hij had honger. Tien minuten later lag hij vermoeid op mijn schoot. De hele dag waren we dankbaar en blij.  De verloren zoon was terug!

Scherp

“De liefhebber met het scherpste mes, komt het verst”. Wie mijn stukjes leest, weet dat het geen uitspraak van mezelf is. De Suijkerbuijken geloofden er heilig in. Vanochtend ruimde ik de ’03. Zat al een week pips te kijken, vloog met tegenzin en at slecht. Ik zie het altijd even aan. Een jonge duif mag kortstondig “ongesteld” zijn en krijgt de kans zich te herpakken. Een weekje geduld heb ik, maar dan is het op en wegwezen. Het is al moeilijk genoeg om tussen kerngezonde junioren een topper te ontdekken!  Duivensport is een afvalrace en “survival of the fittest”. Jan Suijkerbuijk was mijn leermeester. Een liefhebber van de oude stempel. Denk nog vaak aan Jan terug. Zijn duiven waren heilig voor hem. Hij stond ermee op en ging ermee naar bed. Jan was zuinig, eenvoudig en hard. Van medicijnen had hij geen verstand en die waren veel te duur. Altijd een goedkope zak voer en een overtuigd liefhebber van gerst. Zijn “Ouwe Rooien” en “Goeie Valen” heb ik vaak in handen gehad. Zijn “Blauwe ‘82” was een fenomeen. Zoon uit eerstgenoemde. Alle liefhebbers in de Hoven kenden die doffer. Als “de ‘82”  aan de Vliegendijk naar beneden dook, wisten ze dat de duiven aanstonds konden arriveren. De beste duif, die Jan ooit had, was in zijn ogen de ‘89”.  Met elf zuivere eerste prijzen en 50 keer in de top 10, was het een zeldzame klasbak. Jan zelf, hield geen statistieken bij. De vlucht van de komende week telde alleen. De prestaties van “de ‘89” zocht ik zelf op in de oude uitslagen. Gekweekt op het hok van broer Gerard, zonder stamkaart of afstamming. Vorige keer schreef ik, dat goeie duiven meestal mooie duiven zijn. Duiven met een atletisch lichaam, goed gespierd en zacht van pluim, met uitstraling in hun blik. De ’89 nam ik aan het eind van zijn loopbaan mee naar China. Ik kon Jan bij thuiskomst 1000 gulden overhandigen. De hoogste prijs, die Jan ooit beurde voor een duif. De ’89 kreeg in China de naam “Sugar Spider”. In de hand was het een gewone duif en als kweker had hij weinig talent. Hij werd geveild en de koper heb ik nooit ontmoet. Met de prestaties van de duif was niks mis, maar echt goeie nazaten had ie nooit gegeven. Ook daar had ik het eerder over. Veel goede vliegers en asduiven, hebben geen kweekwaarde. Door empirisch onderzoek (lees:  door schade en schande) heb ik deze kennis opgedaan.   (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (5)

Op hoop van zegen (5)

Roofvogels

Gisteren zag ik het mannetje van de havik tussen mijn eerste groep van 29 junioren duiken. Hij miste en gisterenavond zaten er gewoon nog 29. Ik schreef het eerder. De mannetjeshavik is druistig. Wil zich bewijzen richting zijn partner, maar heeft minstens tien kansen nodig om één keer te scoren. Het volwassen vrouwtje van de havik daarentegen is precies omgekeerd. Ze jaagt kortstondig en is dodelijk effectief. Het valt me trouwens op hoeveel “prietpraat” er over roofvogels verkondigd wordt door postduivenhouders. In Gietelo zit ik al jaren in de frontlinie. Ben geen roofvogelexpert, maar weet wel waar ik over praat. Daarom vanuit mijn eigen ondervinding wat nuttige informatie over dit onderwerp

Torenvalk

Klein roofvogeltje. Zie je vanuit de auto langs de snelweg vaak “biddend” boven berm en landerijen. Jaagt vnl. op muizen. Onze duiven hebben er niets van te vrezen!

Buizerd

Het fabeltje, dat roofvogels uitsluitend jagen op zieke en zwakke dieren, is gebaseerd op de jachttechniek van de buizerd. We zien ze vaak cirkelend hoog in de lucht met soortgenoten en gebruik makend van thermiek. Een echte aaseter. Pakt ernstig verzwakte prooien en onnozele (half)tamme vogels, haasjes en konijntjes. Een dood gevlogen, of ernstig verminkte postduif onder de hoogspanning, is de enige postduif die eindigt als feestmaal voor de buizerd. Buizerds hebben derhalve geen schutkleur nodig. Je ziet ze in licht-  en donkerbruin tot bijna zwart. In 2024 vloog er rond Gietelo een bijna wit exemplaar. Een passerende oud-collega had het zelfs over een “sneeuwuil”. Ik zie graag veel buizerds in Gietelo.

Sperwer

Alom aanwezig. In stadsparken en in steden plotseling opduikend en jagend langs coniferen en gebruikmakend van de “verrassingsaanval”. Het mannetje van de sperwer is duidelijk kleiner. Pakt mussen en kleine zangvogeltjes. Mevrouw sperwer is duidelijk groter en gek op onze duiven. Een sperwer moet haar prooi overrompelen. Een in de tuin lopende postduif of een op het dak rustende duif zal ze proberen te verrassen. Vliegende duiven hebben van de sperwer niets te duchten. De sperwer heeft relatief lange poten, die dun zijn als luciferhoutjes. Bij jonge exemplaren zijn de zilverwitte dwarsstrepen eerder gelig van kleur. Jonge vrouwtjes, die hun jachttechniek nog niet verfijnd hebben, kunnen in het voorjaar heel vervelend zijn voor klein pluimvee, duiven en vogeltjes in volieres. Doordat ze door honger gedreven tegen het gaas gaan hangen, zorgen ze voor grote onrust en paniek

Havik

Van nature een wat schuwe woudvogel. De havik jaagt in tegenstelling tot de sperwer in de lucht. Een talentvolle jager met een scala aan jachttechnieken. In Gietelo is de havik verantwoordelijk voor zeker 90% van alle roofvogelslachtoffers. In Bussloo bij Martin & Joke Geven, was de havik ook een voortdurende plaag. Soms dacht een duif daar slim te zijn, door zich in een boom te verstoppen. Een vrijwel zeker doodvonnis, want tussen de takken van de bomen is de havik superieur in wendbaarheid en snelheid. Jonge duiven, die nog niet goed in een koppel vliegen, worden in Gietelo simpel uit de lucht geplukt. Als een vrouwtjeshavik zich boven de rondcirkelende koppel duiven heeft geposteerd, boven het hok bijvoorbeeld, gaan alle alarmbellen rinkelen. De groep wordt dan a.h.w. naar beneden “gedrukt” en dat levert veel dode en gewonde duiven op. In panische angst cirkelen de duiven soms op minder dan een meter hoogte en botsen tegen waslijndraden en allerhande obstakels. Duiven belanden in heggen, in schuren en tegen ruiten, met poot- en nekbreuken als gevolg. Dan zie ik liever het “luchtgevecht” op grote hoogte. Een duif, die in paniek de koppel verlaat, is vaak het haasje. Als duiven regelmatig met haviken te maken hebben, kiezen ze door ervaring wijs geworden, voor de optie vluchten.  Gewoon na een kwartiertje terugkeren als de kust veilig is. Haviken zijn opportunisten. Als ze in de gaten krijgen, dat de duiven compact blijven en vluchten, geven ze hun poging op en zoeken een gemakkelijker slachtoffer. Pa en moe havik kunnen beiden een duif “slaan” in de lucht. Moeder is slimmer en doeltreffender en vliegt met speels gemak met een duif in haar klauwen weg. Haviken hebben net zo’n gelig jeugdkleed als de sperwer. De poten van een havik zijn duidelijk grover. Sperwers hebben poten als luciferhoutjes, haviken poten als krielkippen. Dat is een belangrijk herkenningspunt. De havik is schuwer.

Slechtvalk

De snelste roofvogel!  “Wanderfalk” zeggen onze oosterburen. Dat geeft aan, dat slechtvalken een groot jachtterrein hebben, dat zich over vele kilometers kan uitstrekken. Postduiven zijn erg bang voor slechtvalken. Het zijn “stootvogels”. Met duizelingwekkende snelheid duiken ze van grote hoogte op hun vliegende prooi. Dit veroorzaakt zo’n klap, dat de duif in de lucht de rug breekt. Soms werken slechtvalken samen als ze jagen. Hun nesten zitten in de vrije natuur op rotswanden. In ons land bouwen ze hun nest op torens, fabrieken, hoge silo’s e.d. In Apeldoorn, Deventer en Zutphen huizen slechtvalken. Op ruïne “de Nijenbeek” zat ook een paartje. Dat is hier 1500 meter vandaan. Trouwe supporter Rini, die zelf met zijn jachthonden goed thuis is in de natuur, meldde me dat er op “de Nijenbeek” geen slechtvalken meer zitten. Slechtvalken zullen vast ook stadsduiven opruimen, maar wie zijn hok in de buurt heeft van het nest van de slechtvalk, kan de lol op! Ik hoop, dat mijn bijdrage U iets wijzer gemaakt heeft. Roofvogels zijn prachtige vogels, die ook willen eten, net als U en ik. Toen in 2016 een zeer waarschijnlijk ontsnapte havik hier in Gietelo een schrikbewind uitoefende en loslaten van de duiven onmogelijk werd, stond ik op het punt om met de duivenhobby te stoppen. Zestig stuks werden er door “het monster van Appen” verschalkt tot het moment, dat ze waarschijnlijk zelf te grazen genomen werd. Toen normaliseerde de toestand zich. Met tien roofvogelslachtoffers op jaarbasis kan ik  goed leven. We wonen in de “groene long” van de gemeente Voorst. Aan alle kanten omgeven door natuur. “Ekeby”, Appense Veld, recreatiegebied Bussloo, de bomendijk van landgoed “de Poll”, de uiterwaarden van de IJssel en landgoed “Beekzicht”. We hebben de lusten van een prachtig woon- en wandelgebied en daar horen de lasten ook bij. Niet klagen, maar dragen!

Duiven

Zeventig junioren huizen er in Gietelo. Wat zou ik zijn zonder compagnons? Komende week komen er nog acht bij en dan ben ik op tal. Nu moeten er nog twintig Lady’s Leagueringen aangeschoven worden voor José. Die komen op het “kasthok”.  In de eerste week van april verwacht ik de duifjes voor José en half april hoop ik “vol” te zitten in Gietelo. Als alles naar wens verloopt kunnen we ook de “bonduiven” in de tweede helft van april afhandelen, met dank aan onze voedsterduiven. We proberen er een erezaak van te maken. Vorig jaar nodigden we de bonnenkopers op dezelfde dag uit. Rutger Slagman uit Rijssen had een goeie hand van uitzoeken. Zijn bonduif werd bij hem de beste van het hok. Ik kan me herinneren, dat de ’93, een simpel blauw duifje, bleef zitten op die zaterdag. Niemand zag er iets in. Noodgedwongen zette ik het duifje bij mijn laatst gespeende jongen. Eindigde wel bij de twintig beste nationale duiven voor Olympiadecriteria en bij de beste asduiven van de kring. Ook dit jaar willen we weer een afhaaldag voor bonduiven houden. Zullen duifjes van onze beste koppels zijn. Liefhebbers willen graag iets te kiezen hebben. Je kijkt er wel op, maar niet in! Volgende week zondag gaan we naar Raymond Ramaker in Den Ham, om onze enige bon van 2024 te verzilveren. Sander wil mee. Zoek ik bij voorkeur een doffertje uit, als er iets te kiezen valt en noem hem dan “Raymond”.

Kweekbestand

In het verleden vond ik het altijd een uitdaging om duiven van anderen te testen. In het begin  was ik niet erg selectief. Gaandeweg veranderde dat. Ik wilde geen fondduiven, ik wilde optimaal gezonde duiven (anders wordt het niks) en nog later kon ik topduiven eisen. Er kwamen duiven van Gaby, van Gerard, van Pieter, van Willem, van André en Bert, van Stefaan en van Leo en van andere grote namen. Niet rechtstreeks natuurlijk, maar wel “warm” en uit de beste bloedlijnen. Dat is verhelderend en leerzaam. Als je jaar in jaar uit begint met dezelfde bloedlijnen, wordt het ook saai. In mijn jonge jaren waren er ook meerdere vriendinnetjes. Een “womanizer” of “vrouwenverslinder”was ik zeker niet, maar meteen met je eerste vriendinnetje gaan samenwonen, leek me geen goed plan. Een mens wil vergelijken, wat past er bij je en waar kom je het verst mee? Met duiven is het niet anders. Zo kreeg ik, met dank aan de mensen die me testduiven verschaften, een aardig beeld van de intrinsieke kwaliteiten van verschillende duivenstammen. Waar ik het best mee geslaagd ben?  Ooit dacht ik met asduiven ver te komen. Meteen na mijn herstart in 2009 hadden we de 1e asduif van de afdeling GOU. Ook in 2016 behaalden we die titel. Achteraf zijn we met die duiven op het kweekhok niet echt geslaagd. Blind varen op de grote namen en op de bekende “hypeduiven”, daar heb ik nooit in geloofd. Wat bleken uiteindelijk de duiven, waar we verder mee kwamen?  Het sleutelwoord is afstamming of genenstapeling. We kregen de beschikking over een fantastische doffer met grootouders, die stuk voor stuk een Olympische titel of NPO-zege hadden behaald. Een stamkaart, waar de bewezen kwaliteit van afdruipt. Blijkt zo’n prepotente duif goeie nafok te geven met meerdere partners, dan kom je in de buurt. Geven de kinderen en kleinkinderen op hun beurt de goeie eigenschappen gemakkelijk door, dan zit je op een goudader!  Eureka!  Vaak zijn asduiven min of meer toevalstreffers, geboren uit min of meer “gewone”duiven. Ga je er mee kweken, dan geven ze “gewone” duiven en geen asduiven. De stamkaart is dus wel degelijk van groot belang. Wat er niet in zit, zul je er niet uithalen. Zoek naar erfkracht bij duiven uit een rijk getalenteerde lijn met overtuigende prestaties. Mijn ervaring: wat echt goed is, komt snel. Geduld is goed, als het niet te lang duurt en staar je niet blind op prestaties elders, die op jouw hok niet uit de verf komen. Goeie duiven zijn vaak mooie duiven. Een uitspraak van André Roodhooft. De man , die bij Natural duizenden jonge duifjes door zijn handen zag glijden en thuis op eigen hok geweldig presteerde met zijn eigen duiven. Ik deel die ervaring.  (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (4)

Op hoop van zegen (4)

Laatste vlucht van ons moedertje

Het einde kwam niet onverwacht. Op 23 februari blies moeder Toos haar laatste adem uit. Een dag eerder was ik nog met haar bij de kweekduiven. Bijna smekend vroeg ze, of ze mee mocht. Moeder kon ik nooit iets weigeren. Ze kon al heel lang niet meer zelfstandig lopen en ze was sterk afgevallen, doordat ze al zeker sedert het begin van het nieuwe jaar niet meer at. Ik tilde haar op de bijrijderszitplaats van de Caddy  en zo begonnen we aan onze laatste gezamenlijke rit richting de gemeente Voorst. Er waren twee jonkies gereed om te spenen. Meestal hebben we een grote groep speenrijpe jongen ineens, maar soms lukt dat niet. Het doffertje zetten we in de mand, het duivinnetje bij moeder op de arm. Ik maakte een foto van het tafereel. “Duivin Toosje 930 gaat ons komend vliegseizoen misschien wel geluk brengen”, opperde ik. Of ze het allemaal besefte, betwijfel ik. Toch wilde ze erbij zijn. Misschien wilde ze mij een plezier doen, of zou ze gevoeld hebben, dat haar einde heel nabij was? Terug in Bathmen, zei ze , dat ze het heel leuk vond. Later op de middag kreeg ze hevige buikpijn. Zus Erna, die dicht bij “het Dijkhuis” in Bathmen woont, was erbij. “Ik ga dood”, riep ze, kermend van pijn. Erna belde de dokter. In de avond kwam de dienstdoende huisarts om moeder voor het eerst een dosis morfine in te spuiten. Dat was de afspraak, die enkele weken eerder gemaakt was. Ze had volgens het verplegend personeel een rustige nacht. De volgende dag zouden we als broers en zussen rond het middaguur bijeenkomen. De dokter zou dan beginnen met het installeren van een morfinepomp. Rond koffietijd opende ik de deur van haar slaapkamer. Het leek, alsof ze op me gewacht had. Na de begroeting wees ze met haar linkerarm naar het schilderij van vader Ernst op de muur. Dat ging moeizaam en met vertrokken gezicht. Gevolg van een schouderbreuk enkele maanden eerder. Ik dacht, dat er een vlieg op het behang zat, want een vliegenmepper had ze altijd onder handbereik. Ze probeerde me iets te vertellen, maar ik begreep haar niet. Opnieuw wees ze met haar linkerarm met haar laatste krachten naar pa. Ineens viel het kwartje. Ik stelde haar gerust en vertelde, dat ik haar begreep. Toen ging de deur open. Maud en Els, twee kleindochters vergezeld door hun moeder, kwamen binnen en schrokken zichtbaar. Moeder keek naar het schilderij, met in haar rechterhand pluchehondje “Trijntje”.  Het bed werd van de muur geschoven en Maud zetelde zich naast haar oma. Haar rechterhand op haar voorhoofd en de linkerhand op moeder’s arm. Ze prevelde troostende woorden. Moeder ademde met haar mond open en haar ogen half open. Vier volwassen mensen stonden er geroerd bij. Na ongeveer tien minuten sloot moeder haar ogen en werd de ademhaling rustiger. Vijf minuten later leek het, alsof ze in diepe slaap gevallen was. We keken elkaar aan en voelden pols en hals. Het was 11.25 uur. Ze was letterlijk weggegleden van het leven in de dood. Zonder pijn, zonder medicamenten, in alle rust omgeven door dierbaren. Zoals haar hondje Trijntje voorjaar 2022 weggleed onder mijn handen en onder liefkozende bewoording, voordat de dierenarts de laatste spuit kon zetten. In beide gevallen was de cirkel rond en kozen Moeder en Trijntje voor de natuurlijke dood op het juiste moment. We hebben er vrede mee. Moeder Toos had een mooi en goed leven, omgeven door liefde. Ze was als zevende kind de jongste thuis en bereikte de hoogste leeftijd. Ze was van 1929 en de laatste van een generatie. Een geweldige moeder, die zichzelf wegcijferde voor haar man en kinderen. Ons oudste teamlid. Nooit zal het meer zijn, zoals het was. Maar … de prachtige herinneringen zijn onuitwisbaar. Moedertje bedankt!

Zestig

Precies zestig jongen zitten er in Gietelo. Een groep van 29 en een groep van 31. Uit beide groepen moest ik één jong verwijderen. Als een jong minder vitaal oogt en achter blijft in ontwikkeling, dan moet je hard zijn. Met sterke, gezonde jongen is het al moeilijk genoeg. Vorig jaar had ik een jong, dat heel lang “kind” bleef. Op de leeftijd van acht weken, schudde ze met haar vleugels en piepte meewarig, alsof ze gevoerd wilde worden. Ik zal vast niet de enige zijn, die dat meemaakt. Martin Geven, maakte het ook mee in zijn jaren op Bussloo. “Ruim ze maar meteen op, want dat wordt nooit iets”, stelde hij onomwonden. Ik wilde de proef op de som nemen vorig jaar en liet “Pippie Langkous ‘80” tegen beter weten in lopen. Toen ze een week of tien was, liep ze binnen in Goor. Ik haalde haar op, maar enkele weken later sneuvelde ze op een africhtingsvlucht. Martin kreeg gelijk. Vorig jaar hadden we een jong met “spreidpoten” in het nest. Ik kende het fenomeen van de kuikens van de Barnevelders. Zou te maken hebben met de niet helemaal ideale temperatuur in de broedmachine. Het duifje kreeg elastiekjes om de knijpringetjes om beide poten. Dat zou het euvel moeten verhelpen. Ik was vertederd door de gedachte aan Jan ten Hove. Een dapper klasgenootje van de lagere school met polio. Aan Jan bewaar ik goeie herinneringen. Hij stierf, toen ik in Duitsland in militaire dienst zat. Het duifje met de spreidpoten werd geen succesnummer!  Joke Geven was een echte dierenvriend. Lapte gewonde dieren op en deed alles om ze in leven te houden. Martin was ook gek met dieren, maar hij kende geen genade. Toen Joke in 2016, na het overlijden van Martin op 1 juni dat jaar, in zijn voetsporen trad, was ze ook in de benadering van zieke en zwakke dieren allang op de golflengte van Martin gekropen. “Steek je energie in sterke en gezonde dieren. Met zwakkelingen blijft het pappen en nat houden”. Survival of the fittest. De havik van Bussloo, die dagelijks op de loer lag, maakt een mens realistisch!  “Maak je niet druk om duiven die verloren gaan. Richt je op de duiven die je nog hebt”, is een troostende uitspraak van Martin op dagen, dat havik of slechtvalk zijn of haar slag slaat.

Vlierbes

Er is een tijd geweest, dat ik wel tien grote flessen vlierbessensap verbruikte in één duivenseizoen. Dat was in de tijd, dat we nog niet goed wisten, wat we met coli aan moesten. Ik geloofde heilig in de preventieve en zelfs curatieve werking van dit sap. ’s Avonds gooide ik een kwartliter op een emmertje voer, liet het een nachtje impregneren en maakte de kliederige massa rul met gedroogde klei, veengrond en allerhande mineralen. Met name de piepers reageerden prima op deze doenwijze, die ik wekelijks toepaste. Toch kregen de junioren gewoon coli. Hadden ze het eenmaal, dan gingen er ook gewoon een paar dood, ondanks de vlierbessenkuur. Het is dus geen “wondermiddel”. Toch haalde ik onlangs weer 5 flessen vlierbessensap. De toepassing is nog steeds hetzelfde. De klei, veengrond en mineralen zorgen voor het reinigen van het inwendige van de duif en het stelt de duif in staat eventuele tekorten aan te vullen. Frits Hulshof uit Brummen, nam deze doenwijze in een grijs verleden van me over. Hij haalt de zorgvuldig gekozen klei uit de polder en gelooft heilig in de nuttige werking. Ik gebruik als klei uit gemakzucht de “Taubenkuchen” van Backs. De flessen vlierbessensap haal ik in het boerderijwinkeltje van Corrie in Voorst. Het is geen wondermiddel, maar ik voel me er goed bij. Nog steeds is het adagium in Gietelo:  “Blijf zo dicht mogelijk bij de natuur”.

Onderhoud

Rituelen bepalen voor een belangrijk deel mijn duivenhobby. In het voorjaar begin ik steevast met het bestellen van de filters voor het komende seizoen. Een stuk of tien verbruik ik er. Als de filters verzadigd raken, begint de helm te piepen. Als het om gezondheid gaat moet je niet verkeerd bezuinigen. Ruim veertig jaar geleden (1982) werd in het ziekenhuis onomstotelijk aangetoond, dat ik lijd aan een ernstige vorm van allergie. Ik krijg bij blootstelkling aan duivenstof (uit mest en veren) flinke koorts, griepverschijnselen en overvloedige slijmvorming met benauwdheid op de koop toe. Als ik bij elk contact met duiven een goed werkende overdrukhelm en beschermende kleding (overall) draag, kan ik mijn hobby gewoon uitoefenen. Volgens John Freriks van Koudijs, ben ik de trouwste klant van ademhalingsbeschermingsmiddelen.  Ben aan mijn derde “Kite” begonnen vorig jaar en herinner me ook wel een stuk of vier “Engelse helmen”. Deze waren heel degelijk en konden tegen een stootje. Onderdelen zijn allang niet meer leverbaar. De accu droeg je aan de broekzak en was verbonden door een stroomkabel. Soms bleef de kabel ergens achter haken en ook de actie-radius was beperkt. Dat was toen een duidelijk nadeel. Voor  liefhebbers, die nu nog nergens last van hebben, kan ik niet genoeg benadrukken: denk aan je gezondheid!  Stof is slecht voor je longen en krijg je last van allergie, dan ben je helemaal in de aap gelogeerd. Draag een vorm van ademhalingsbescherming met P3 filters. Dan voorkom je op termijn een hoop ellende! Ben je inmiddels allergisch, dan zijn er nog steeds mogelijkheden. Maar …. voorkomen is beter dan genezen en je gezondheid gaat boven alles. Dat moest ik even kwijt. Andere rituelen in het voorjaar zijn schoonmaak en onderhoud aan de hokken. In het kasthok begonnen de gaaspanelen iets door te zakken. Met aluminium kokerprofiel kon ik dit euvel vrij simpel verhelpen. Aan de rennen van hok 1 en 2 begonnen verduisteringspanelen last te krijgen van houtrot. Met trespapanelen van een tweedehands materialenhandel heb ik het probleem definitief opgelost. Ook heb ik een kuub scherp zand uit de hokken verwijderd en een bigbag schoon metselzand in de hokken verspreid. Daarvoor had ik alle plafondpanelen uit de hokken gehaald (demontabel). Ongelooflijk hoeveel stof zich in één  jaar afzet. Slecht werk en binnen enkele dagen kon ik een stoffilter vervangen. Komende week ben ik nog wel enkele dagen aan het soppen in en om de hokken. Groen uitgeslagen spoetnikken, mosvorming op tegels en golfplaten, ben nog lang niet klaar. Niet echt leuk werk, maar … het hoort erbij.

Doffers

Heb het gevoel, dat net als vorig jaar, de duivinnen dik in de meerderheid zijn. Uit een blauwe stamdoffer met zijn vale duivin kweekten we dit voorjaar 5 nazaten. Vijf blauwtjes en dan weet ik: vijf duivinnen. Bij andere koppels heb je niet die zekerheid. Vrij veel koppels met twee duivinnetjes in het nest. Ik zie liever twee doffers in het nest, maar dat gaat niet op afroep. ’t Is wat het is. Maandag ga ik met de jongste groep naar Robert Kasperink. De enting voor paramixo-rota. In voorgaande jaren wachtte ik vaak tot het moment dat alle jongen voor onszelf waren afgezet. Nu kiezen we voor meteen enten en later nog een gezamenlijke tweede enting. Paramixo-rota. De combi met herpes is ook beschikbaar, maar ik herinner me artikelen van dierenarts Henk de Weerd, die daarin geen pleitbezorger was van die combinatie. De pokkenenting doen we begin juni met “het borsteltje”. Intussen hoor ik gemorrel aan de deur, ten teken dat José terugkeert van de sportschool. Tijd om de laptop te sluiten en het getikte per mail aan Albert te sturen, die het op zijn beurt plaatst op de teamsite. Ieder teamlid zijn ding!   (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (3)

Op hoop van zegen (3)

Moeder

Als pensionado heb ik de tijd en gelegenheid , om me over moeder te ontfermen. ’s Ochtends ga ik naar Bathmen en ben dan benieuwd, hoe het met moeder Toos is. Huisarts Peter waarschuwde me onlangs. ”Er komt een dag, dan is je moeder niet meer dan een omhulsel. Dan spreekt er niets meer uit haar ogen en ben je haar kwijt door de dementie”. In die fase zijn we momenteel. Moeder beseft niet waar ze is. Vraagt zich wanhopig af, wat ze moet doen. Veel familieleden herkent ze niet of nauwelijks en zelfs veel dingen van vroeger is ze kwijt. Soms heeft ze heldere momenten. Zondagochtend klopte ik op de deur van haar kamer. Ik fluit dan steevast een herkenningsriedeltje. Als moeder goed te pas is, beantwoordt ze dit met haar eigen fluitje. Ik kniel dan voor het begroetingsritueel en kijk diep in haar ogen. “Ik ben er klaar voor”, riep ze triomfantelijk. Ik keek verbaasd. “Je haalt me toch op voor de duivenvlucht?”. Ik moest lachen en vertelde, dat er in de winter geen vluchten zijn. “Dan heb ik dat gedroomd”, zei ze met teleurstelling in haar stem. Een rondje Bathmen is elke ochtend een vast ritueel. Even langs “Jack”, de witte herder van de dame van de hondentrimsalon. Elk hondje, dat we tegenkomen, begroet moeder vanuit de rolstoel. Veel hondjes ken ik inmiddels bij naam :  Takkie, Sjors, Kareltje,  e.a. Ook voor wandel- en kinderwagens heeft moeder belangstelling. Vaste uitroep: “Wat een schatje”. Voor kleine kinderen en dieren heeft moeder nog steeds interesse. Daarom lopen we steevast langs de basisschool, als de jongste kinderen speelkwartier hebben. De “Jumbo” is dagelijks een vaste pleisterplaats. Dan zien we grijze hoofden, duwend achter de winkelwagen, met een peutertje zittend tegen de duwstang. De rol, of het lot van veel oma’s en in iets mindere mate van opa’s. Steevast is er dan een contactmomentje. Een flesje vers geperst sinaasappelsap uit de sapautomaat hoort erbij. Vaak scoren we een vers bloemetje en dan gaan we terug naar “Huisje Weltevree”. Moeder is een buitenmens en houdt van frisse lucht. Het dagelijkse ritje door Bathmen is het hoogtepunt van de dag. De dagbesteding is aan moeder niet besteed. Daar wil ze niet heen. Natuurlijk proberen we het, maar ze voelt zich er niet thuis. Probleem is, dat moeder niet meer wil eten. In een maand tijd, viel ze acht kilo af. Of er een onderliggende oorzaak is, wil niemand weten in haar situatie.  Soms klaagt ze over pijn in de buik, maar dat kan ook met stoelgang of knorrende maag te maken hebben. Op andere dagen is ze pijnvrij, dus zeg het maar. Vandaag wacht ik op een monteur, die een glazen douchedeur gaat inmeten tussen 10 en 12 uur.  Dat geeft mij de gelegenheid om een blog te produceren. Moeder is ingeseind, dat ik later kom. Alleen blijft die boodschap slechts luttele tellen hangen. Dementie in de eindfase, niet eten. Dan weet je, dat het einde niet lang op zich laat wachten.. Moeder droomt op heldere momenten van de duivenvluchten. Alleen wij weten, dat ze haar laatste vlucht afgelopen september meemaakte. De eerste vlucht van 2024 zal ze niet halen. Haar hele leven cijferde ze zichzelf weg voor haar kinderen. Nu zet ik ons trouwste teamlid  op één in haar laatste fase en probeer van elke dag nog iets moois te maken. Je hebt maar één moeder!

Overwennen

Het afgelopen seizoen verkasten er een stuk of vijftien junioren naar Frits en Sven van Brummen. Dat was in oktober. Duiven, die goed ingespeeld zijn en bewezen hebben postduif te zijn. Soms broers of zussen van winnaars of asduiven. Als je als liefhebber onvoldoende aanvulling hebt, kun je op deze manier toch aan jaarlingen komen. Van de vijftig junioren, die de vluchten overleefden, konden we er maximaal tien doorschuiven voor eigen gebruik. De overigen kregen moeiteloos een bestemming elders. Frits en zoon Sven werken samen. Sven leidt de junioren op en in het najaar went Frits de ingespeelde duiven over. Ze wonen op nog geen tweehonderd meter bij elkaar vandaan. Inmiddels heeft Frits onze duiven buiten gehad. De duiven van hier kregen een oudere partner van zijn soort. Daarmee vereenvoudig je het uitwennen, zeker als je het doet op kleine jongen. Van Frits begreep ik, dat alle duiven uit Gietelo minimaal één keer uitgevlogen hebben. Slechts één duif was eigenwijs en keerde hier retour. Frits bracht me vooraf op de hoogte. De hokken zijn hier dan gesloten, zodat het voor de terugvliegers geen aanmoediging is, om koppig te zijn. Doordat het systeem van vader en zoon berekend is op overwennen en ze daar de nodige ervaring mee hebben opgebouwd, verliep het tot heden voorspoedig. Frits en Sven hebben hun eigen stam duiven. Hun “Actros” was ooit een geweldige topper en die bloedlijn hebben ze zorgvuldig verankerd. Voor hen is het inbrengen van ingespeelde duiven van hier een experiment, geboren uit noodzaak. Eigen aanvulling ontbrak grotendeels door pech en tegenslag met de jonge duiven. Voor ons is het ook interessant om te zien hoe onze duiven het doen als volwassen duif. En … wat levert de kruising op bij Frits en Sven? Frits heeft in het verleden als z.z.p.-er diverse malen geklust aan onze woning. Ook zijn vader Jan kwam als bouwvakker in hart en nieren dikwijls met Frits mee om hand- en spandiensten te verrichten. Jan was toen al lang en breed gepensioneerd, maar je kon hem er als expert van het oude ambacht goed bij hebben in een momumentenwoning. Kleinzoon Sven is onze voorzitter, maar hij is ook een doorgewinterde, goed opgeleide bouwvakker met de typische “van Brummengenen”. Hoe mooi is het om elkaar als sportvrienden belangeloos voort te helpen?

Olympiade

Met Sander als chauffeur, gingen José en ik naar het MECC in Maastricht. De laatste kans om een Olympiade in Nederland te bezoeken. Het was een leuke ervaring. We troffen op vrijdag Wim Muller en zijn vrouw, in gezelschap van Karin de Haan. Die hadden we al een kwart eeuw niet meer gesproken. We kenden hen van de eerste grote postduivenbeurs in Beijing China. Met Karin wandelde José nog op de Chinese Muur. Haar man Jan liep toen al met een wandelstok. Ik stond erbij, toen Wim Muller in China  een prachtig ingelegde wereldbol kocht. “Die hebben we nog steeds als souvenir en de kleinkinderen genieten ervan”, aldus de nog immer als vanouds besnorde fondman. We ontmoetten er Falco Ebben, gaven Willem de Bruin (daar is ie weer) een handje en vertoefden enige tijd in de mooie stand van Eijerkamp. Met Evert Jan hadden we een leuk gesprek, net als met Arnold. Hans was voortdurend het middelpunt van buitenlanders, voor wie een selfie met “the legend” het hoogtepunt van de Olympiade leek. Nadat we Esther bedankten voor haar voortreffelijke gastvrouwschap en Hilma elders kortstondig begroetten, zochten we geleidelijk de uitgang. De Olympiade is vooral een ontmoetingsplek. We werden opgehaald door René, de broer van José, die een leuk restaurantje gereserveerd had voor de warme maaltijd. Ben je in Maastricht, dan ga je voor het traditionele “zoervleisch”, dat uitstekend smaakte. Na afloop bracht René Sander naar de parkeergarage bij de Olympiade en gingen José en ik mee naar voormalig dorp Amby, waar René woont in één van de 44 woonbuurten van Maastricht. José logeert jaarlijks wel een keer bij haar broer, vaak in combinatie met twee zussen. Zelf kom ik er minder vaak en is het leuk om veranderingen in en om het huis te bewonderen. Op zaterdag verzorgde René een stadswandeling voor ons. Hoewel jurist van zijn vak, weet hij veel van architectuur, kunst en “zijn” Maastricht. We liepen langs de Maas, de Geul en de Jeker. Over en langs stadsmuren, langs watermolens en historische plekjes. Natuurlijk liepen we over het Vrijthof en na een kortstondig verblijf in een kroeg voor “een bakkie” zette René ons af bij het station. Er was nog tijd om bij een “Sparretje” heerlijke broodjes, kaas en sapjes te kopen. Voor onderweg in de trein. We hadden een voordelige enkele reis. Voor 17 euro uit en thuis, met dank aan de NPO. Onderweg zaten we in een coupé waar letterlijk iedereen verdiept was in de mobiele telefoon. Aan de andere kant van het gangpad een oudere man, die uitsluitend aan het swipen was. Ineens zag ik iets unieks. Mijn oog viel op een jonge man, waarschijnlijk student, die verdiept was in zijn krantje. Zover ik kon beoordelen waren we de enigen zonder mobiel.  José vond het ook frappant en maakte ongemerkt een foto van de jeugdige krantlezer tegenover de grijsaard met zijn mobiel. Na tweeënhalf uur arriveerden we op station Zutphen. We hadden uitgerekend, dat we in het gunstigste geval net het boemeltje naar Voorst konden halen. Dan moesten we heel snel zijn. We hadden geluk. Anders zouden we een vol uur moeten wachten op de volgende trein van Arriva. Tijd om een ticket te kopen was er niet en het enkeltje ging van Maastricht naar Zutphen. Het laatste stukkie van enkele kilometers werd uitgevoerd door Arriva en niet door de NS. José is dan braaf en koopt een ticket, om vervolgens een uur te wachten op het boemeltje. Zelf ben ik wat avontuurlijker. Een paar centen betalen voor een uur wachten? De uitspraak “Vaak buj te bange” schiet door mijn hoofd. “We zitten drie minuten in de trein van Zutphen naar Empe. De trein zit behoorlijk vol. Lijkt me stug, dat een conducteur dat kan bijsloffen. In en bij de Arrivatrein is geen conducteur te bekennen. Een kaartje kopen in de trein bij het instappen is dus geen optie. We nemen de gok en voor het geval de conducteur me te glad af is, riskeren we de boete. Het voelt niet goed, maar een uur nutteloos rondhangen met ticket op een leeg perron ook niet. Een beetje avontuur hoort erbij. We hebben toch betaald voor de rit naar huis? José is opgelucht als ze uitstapt en de IJsselstraat in Empe uitloopt richting Voorst/ Gietelo. Zonder noemenswaardige bagage is het een lekkere wandeling van dik een half uur. Van station Empe/ Voorst heeft menig NS-medewerker trouwens nog nooit gehoord! Overweeg een donatie aan Arriva voor bewezen diensten, want eerlijk duurt het langst.

SFC

De SuperFondclubGOU had haar prijsuitreiking in Kootwijkerbroek. José geeft niks om zulke feestjes, Sander had een week na de Olympiade andere prioriteiten, Albert moet op vrijdagavond werken, Jaap had zijn nieuwe vriendin in het weekend, waardoor Rini de reddende engel was en chauffeur van dienst werd. Zelf heb ik een hekel aan rijden in het donker. Altijd gezellig om met Rini naar een feestavond te gaan. Hij houdt van lekker eten en vermaakt zich ook wel met duivenmelkers om zich heen. We zaten aan een tafel met overwegend Zutphense melkers. Naast me zat een leeftijdgenoot uit Velp, waarmee ook leuk gepraat kon worden en een stoel verder Dennis Hammer uit Lathum, die een kennis was van Martin & Joke Geven. Tegenover me fondman Bas Jansen, naast Patrick Schut, Albert Roording, Jan van Zanten, Cor Vrolijk, de zoon van mijn rechterbuurman en Johan Boesveld. Achter hen een rijtje van plm. tien kooitjes, waarin late jongen voor de verkoop opgesteld stonden. Toen we de zaal betraden was ie al voor zeker 95% bezet en we waren toch echt mooi rond klokslag 20 uur binnen. Volle bak dus. Daarom waren we blij enkele lege stoelen te ontwaren aan een tafel met overwegend bekende gezichten. De kooitjes met duiven had ik in de schemering niet opgemerkt. Er werden kampioenen gehuldigd, er werd gezellig bijgepraat en er werd geouwehoerd. Na de koffie, het openingswoord en het eerste rondje huldigingen, werd het buffet geopend. Het zag er traditiegetrouw goed verzorgd uit. Als poesjes muizen, mauwen ze niet!  Na twee keer lopen, had ik mijn buikje goed gevuld. Toen kwamen er schalen met biefstuk voorbij. Rini kreeg een grote op zijn bord, ik vroeg om een bescheiden formaat. Was het vanwege het 25-jarig jubileum, of waren er gewoon teveel biefstukken gebakken?  Andermaal werden er biefstukken geserveerd. De tweede ronde. Ik paste, maar niet iedereen kon de verleiding weerstaan. Rini hapte gretig toe en smulde van een beste joekel.  Niet veel later kwam Peter Pennekamp langs, om ons lekker te maken met een bord ijs, vruchten en slagroom. Nu was het mijn beurt om toe te happen, want voor ijs en koude toetjes mag je een Wagenaar wakker maken. Rini was verzadigd en had blijkbaar elk gaatje gevuld. Zo kabbelde de avond voort, met een geslaagde verkoop van laatjes, een verloting en een aanwezigheidsverloting voor alle leden.  Na de nodige natte versnaperingen begon  het bewonderen van de drie aangekochte laatjes aan onze tafel. Natuurlijk moest ik in de hand enkele duifjes keuren en ik merkte toen al, dat ik last kreeg van het duivenstof. Ik had het niet verwacht. Grote zaal, slechts tien duifjes die stilzitten in hun kooitje, dat zou ik kunnen verdragen, meende ik. Dat was een inschattingsfout mijnerzijds. ’s Avonds in bed voelde ik lichte koorts opkomen en dat was het begin van meerdere nachten hoesten en irritante benauwdheid en slijmvorming.  De feestavond was gezellig, het buffet voortreffelijk, de sfeer ontspannen, maar de naweeën duurden voor mij zeker een week. Een bevestiging van wat ik al meer dan veertig jaar weet: kom niet in de buurt van duiven zonder stofhelm!

2024

De eerste 30 jonkies zijn in aantocht. Binnen een week verwacht ik ze in Gietelo. Opvallend veel “saai” blauw. Uit twee vale duivinnen met blauwe partners gewoon vier blauwe dochters. Dat werk. Hoewel we altijd de nodige witpennen en blauwbonten kweken, zijn het nu vrijwel allemaal blauwtjes. Zelfs de witte veertjes op de rug en “tikjes” achter het oog ontbreken. In een bepaalde periode kweek je veel bont en rood en schimmel, als het aanwezig is bij de ouderdieren. In een andere periode lijken de duiven terug te slaan op de oerkleur (vet)blauw. Alsof de maanstand er invloed op heeft. Voor ons is kleur in feite bijzaak. We willen duiven die hard vliegen. We zijn geen sierduivenfokkers. Op eigen hok hebben we de ondervinding, dat we meer succes hebben met de junioren van de 3e en 4e leg. In 2023 begonnen we te ringen met nummer 21.  Bij de eerste leg kwam achteraf geen enkel echt talent bovendrijven. “Rina ‘57” (2e legsel)  behaalde een teletekstnotering op de slotvlucht en “Arne 660”  (2e legsel) pakte een regiozege. “Picasso ‘74” (3e legsel) is de eerste van vijf asduiven in onze oplopende ringenserie (1e, 3e, 4e,5e en 6e asduif kring). “Alice ‘76” werd 1e asduif. “Ben ‘84”, “Doesburg ‘93” en  “Frederik ‘710” (4e legsel)  completeerden het rijtje asduiven. Als we onze eerste en tweede ronde in 2023 niet gekweekt hadden, zou de eindstand van de asduiven precies hetzelfde geweest zijn. Dat geeft te denken! Het afgelopen jaar staat niet op zichzelf. In 2021 en 2022 was onze beste junior telkens een jong van de 4e leg. Kon op het nippertje mee op de vroege toer. Waarom vliegen de later geboren junioren bij ons aantoonbaar beter?  Ze komen uit dezelfde ouderkoppels, dus daar zit het niet in. Dan ga je denken aan hogere luchtvochtigheid in januari en februari, aan hogere temperaturen in maart en april en aan het verschil in lengte van dagen in winter en voorjaar. Als we komend vliegseizoen opnieuw dezelfde tendens zien, wordt het volgend jaar tijd om het geweer van schouder te verwisselen.  Dan kun je denken aan het eerste en tweede legsel weggooien en pas met het 3e en 4e legsel gaan vliegen. Dan hebben we genoeg aan 50 junioren i.p.v. 100.  Empirisch onderzoek moet uitwijzen, of we gelijk hebben. Echte conclusies mag je pas trekken, als je de resultaten van meerdere jaren op rij analyseert. Zoals U weet analyseren we alles wat we kunnen analyseren. De verschillen tussen 1e, 2e , 3e en 4e ronde breng ik nu onder de aandacht. De verschillen per hok, de verschillen per geslacht, de verschillen tussen de bodembedekking, de verschillen per speltype (nest/ op de deur), er zijn oneindig veel zaken, die je kunt napluizen. Sommige dingen denk ik op gevoel te weten, zonder data. Ik boek de grootste successen steevast met doffers. Daar ben ik van overtuigd. Het afgelopen jaar waren de duivinnen numeriek zwaar in de meerderheid. Toch zaten bij onze vijf beste junioren drie doffers. Zonder analyses kom je niet verder en maak je ongemerkt steeds dezelfde fouten. Aan de andere kant ben ik duivenliefhebber, geen dataverzamelaar.  Er zijn toch nog genoeg interessante dingen, waar ik graag meer van zou willen weten. Hoe zit het met de ogen van de ouders van onze beste duiven? Natuurlijk ben ik daar niet blind voor en denk ik de ogen van alle kweekduiven globaal te kennen. Bij Eijerkamp zie je bij alle toppers steevast de foto van de ogen. Ook de oogfoto van de ouderdieren. Kun je op grond van de ogentheorie (pigment, Vermeyenring, hele of gedeeltelijke verkenningscirkel, verscheidenheid geel-/witoog) de prestaties van de asduif duiden, of voorspellen?  Ik geloof niet in “ogenkeurders”. Hun eigen prestaties op de vluchten maken duidelijk, dat de rol van de ogen marginaal is in het totale plaatje. Toch zie ik graag een rijk gepigmenteerd oog met alle daarbij gedroomde kenmerken, terwijl ik weet dat verreweg de meeste topduiven ouders hebben met ogen , die de heldendaden van de nafok allerminst verklaren. Het afgelopen jaar verkreeg ik een duivin met een fantastisch, rijkgekleurd geeloog en alle gewenste oogkenmerken. Ze werd gezet tegen een bewezen stamduif met een mooi witoog. Alle ogen waren gericht op Kwatta. Het resultaat was bedroevend. Domme duiven, die amper een platte prijs wonnen.  Natuurlijk wist ik dit al lang, net als ik weet, dat ik niet onbeschermd in de buurt van duiven moet komen. Soms doe je dingen, die je allang weet, maar die je blijkbaar ten overvloede bevestigd wil zien. Het tweede legsel van ongeveer 30 stuks is inmiddels geboren en bijna rijp om geringd te worden. Overwegend broertjes en zusjes van de eerste groep. Aan statistieken denken we niet. Hoop doet leven. Waarschijnlijk zullen ze de eerste leg overtreffen. De beste junioren verwacht ik van de 3e en 4e leg! Komend najaar weten we meer. …      (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (2)

Op hoop van zegen (2)

Gezondheid

De voorbije week werd ik misschien wel ten overvloede herinnerd aan het feit, dat gezondheid boven alles gaat. Eerst was er de schok over een aanstaande euthanasie van een bekende, voor wie het leven een ondraaglijk lijden is door aanhoudende psychische problemen. Een dag later hoorde ik het trieste relaas van een jong stel met een grote kinderwens. De wens was in vervulling gegaan met een te vroeg geboren tweeling. Na spannende dagen was er het goede nieuws, dat de meisjes het gaan redden. Hoera! De vlag kan uit. Maar … wel halfstok. De jonge vader sterft in het bijzijn van de moeder in het ziekenhuis. Niet te geloven. Ik hoorde het verhaal bij de kapster, die als een berg opziet tegen de begrafenis. Ze zijn goeie kennissen/ vrienden. Ik was bij de kapster, samen met moeder Toos. Bij haar zou er een permanentje gezet worden en ik besloot tussentijds een bezoekje te brengen aan een oud-collega. Sebas werd twee jaar geleden getroffen door ALS. Een ongeneeslijke, progressieve spierziekte. Hij was nog geen veertig jaar. Sebas was in zijn Isendoornjaren een geweldige collega. Eén en al dynamiek en daadkracht. In zijn vrije tijd vrijwillig brandweerman met grote ambitie. Duikploeg, hoogwerker, chauffeur, lerend voor commandant en elk moment van de dag op scherp om uit te rukken. Hij was stoer en mannelijk. Adrenaline zijn benzine. Ooit had hij iets gedaan voor een leerling. Die leerling wist zijn naam niet. “Lang, donker, met snor, hoe ziet ie er uit?” Het antwoord van de leerling was voor mij klip en klaar.  “Hij lijkt op een Rus”. Meteen was duidelijk, dat het Sebas betrof. Mannelijke kaaklijn, levenslustige, strijdvaardige blik in de ogen, knappe jongen. Op zekere dag solliciteerde hij als chauffeur op de ambulance. Hij werd aangenomen en dat was een aderlating voor de school. Een handige, veelzijdige collega en echte aanpakker, die ga je missen. Toen ik bij Sebas aanbelde, stond er een bus op de oprit. Volledig aangepast aan zijn spierziekte. Alles in huis was aangepast. Het leven voor vrouw en kinderen gaat gewoon door en vader is thuis. Armen en handen kon hij niet meer gebruiken. Drinken staat op tafel met een rietje. “Kom erin, pak je wat te drinken en ga zitten”. Nog altijd direct en zonder omwegen. “Leuk, dat je er bent. Mijn rolstoel staat al klaar voor de volgende onvermijdelijke stap.  Heb veel pijn in mijn benen en dat is geen goed teken”. Hij vertelt, dat hij zijn bus nog gebruikt om dingen weg te brengen naar het ziekenhuis in Apeldoorn. Een soort koerier. Ondanks zijn eigen sores, blijft hij zich nuttig maken. Sebas maakt het me niet moeilijk en draait er niet omheen. “Ze hebben me gevraagd voor landelijke spotjes op radio en t.v. Voor mij leuke afleiding en ik draag bij aan een oplossing in de zoektocht naar oorzaak, preventie en genezing”. Het is moeilijk om de juiste woorden te vinden. “Je hebt intensief geleefd en de dingen gedaan, die je het liefst deed en kreeg veel waardering. Ik vond je een geweldige collega!” Ik voel me machteloos. Met gemengde gevoelens stap ik even later in de Caddy, om moeder op te halen. Na het nodige gezeul, zit ze in de auto. Van de kapster hoorde ik, dat ze steeds in slaap viel. Onderweg vraagt ze zich af, wat ze in het ziekenhuis gedaan hebben. “Waar woon ik eigenlijk?” vraagt ze meerdere malen. “In je eigen, fijne huisje”, stel ik haar gerust ……

Gezondheid (2)

Iemand maakt me er per mail op attent, dat ik wel heel vaak refereer aan Willem de Bruin. Dat kan ik niet ontkennen. Waar het hart van vol is, loopt de blog van over blijkbaar. Iedereen zoekt zijn/ haar helden. Vooral als je jong bent. Dan zijn het sportsterren, pophelden, influencers, of goeroe’s. Een nuchtere, oudere duivensporter is onder de indruk van een duivensporter, die voor hem weer een voorbeeld is. Zoiets zal het zijn. Willem is slim, goed onderlegd, heeft een helder verhaal, speelt bovenaards goed met jonge duiven (en meestal ook met oude duiven) en doet het op alle fronten goed. Een rolmodel. Ik moest aan Willem denken, toen een herstarter me benaderde voor duiven. Het was in een week, dat nog iemand jonge duiven wilde kopen. Ik schrik daar altijd van. In het voorjaar ben ik bezig met de kweek elders, met de bedoeling ons eigen vlieghok optimaal te bevolken. Ik ben daarbij afhankelijk van derden. Tot voor kort kwamen er ook elk jaar “testduiven” van andere hokken. Dan was er minder druk op het eigen kweekhok. Nu moeten we het helemaal zelf doen en ik sta daarbij aan de zijlijn. Gaat het allemaal lukken? Vervolgens heb je de verplichtingen aan “bonnenkopers”. Kopers willen steevast  met de aangekochte junioren spelen. Dat raad ik zelf aan, omdat je dan meteen weet wat voor vlees je in de kuip hebt. De voor mij onbekende, twijfelende herstarter uit het Noorden, vertelde over zijn allergie. Ik dacht meteen aan mijn eigen martelgang in het verre verleden. Duiven kopen, terwijl je weet dat je ooit moest stoppen vanwege allergie. Dat is niet slim. Als bouwvakker zou hij moeten weten, dat je geen huis bouwt zonder fundering. Enkele dagen later mailde hij, dat hij een overdrukhelm besteld had voor zijn centen. Ik was opgelucht. Zou hij Willem’s column van afgelopen week in “De Duif” lezen, dan weet hij dat gezondheid boven alles gaat. Ook het trieste verhaal van Steven van Breemen, die gestopt is met duiven op eigen erf (longproblemen t.g.v. allergie), had ik hem gemaild.  Sedert 1982 ben ik ernstig allergisch voor een eiwit in duivenstof c.q. duivenmest. Op dwingend advies van de longarts zou ik nooit geen postduiven meer mogen houden. De lokroep was echter te groot. Na allerhande stofmaskers en vijf overdrukhelmen verder, kocht ik afgelopen jaar de modernste (groene) Kite. Enkele dagen geleden belde ik John (de leverancier wordt na tientallen jaren een goeie bekende) om tien P3-filters op te sturen voor het naderende seizoen. Hij belde me netjes terug. “Ik kon je telefoontje niet persoonlijk beantwoorden, stapte net in de taxi vanwege nierspoeling in het ziekenhuis, maar de bestelling maken we in orde”. Ik schrik. Terwijl ik deze woorden type gaat de ouderwetse klingelbel en zie ik de bus van PostNL. De filters. Veel meer schrok ik van de woorden van de leverancier. ”Van de ene op de andere dag gaven mijn nieren het op, t.g.v. extreem hoge bloeddruk”. Dan ben je een veertiger en heb je een groot probleem. John is nuchter: “Jij moet al meer dan veertig jaar filteren om je longen te beschermen. Ik moet nu drie keer per week aan de machine om mijn bloed te filteren”. Ik denk onwillekeurig aan Sebas. Viel er voor hem ook maar iets te filteren, behalve koffie. Elk jaar ben ik weer dankbaar, dat ik er weer een jaartje met duiven aan vast kan plakken. De reacties van anderen laten me volledig koud. Ben er aan gewend geraakt om als “Willempie” of “Lullo” rond te lopen. Ook op de komende Olympiade gaat, zonder bromfiets, de helm op. Gezondheid is ons grootste goed!

Toon

Ooit hadden we in dorp Voorst een soort vriendengroep van duivenliefhebbers met een lief en leed bijdrage in voorkomende gevallen.  Toon maakte daar deel van uit, net als Cees, Arend, Adriaan, Gerard, Oene, Teun, Arie, Albert, Gerrit en ondergetekende. Ook spraken we samen af met de dierenarts, bij verplichte entingen e.d. Velen zijn niet meer onder ons en anderen zijn vanwege leeftijd gestopt met de sport. Toon was op een gegeven moment nog de enig overgebleven actieve duivensporter in het dorp. Op zeker moment hoorde ik bij de slager, dat Dinie van Toon zou zijn overleden. Ik schrok. Kort daarop hoorde ik, dat niet Dinie, maar Minie van Toon was overleden. Verwarrend, want ze wonen ook nog eens schuin tegenover elkaar. Toon van Marinus, heeft ook een neef met dezelfde naam. Vrijwel zijn hele leven postduivenhouder en ooit samen lid  van “Steeds Verder”. Dat zie je in meer dorpen. Meerdere dezelfde familienamen duiken veelvuldig op en zorgen voor “bijnamen”.  In mijn klas op de lagere school zaten twee neven met dezelfde naam. Gerrit Saarloos kende men als “Gait van Piet” en “Gait van Jan”. Dat verschafte duidelijkheid en voorkwam verwarring.  Heel sterk, dat twee echtgenotes, die schuin tegenover elkaar wonen, enkele dagen na elkaar sterven. Gelijke achternamen, partners met dezelfde voornaam, en zelf voornamen met dezelfde klank, die maar één letter verschillen. Met Toon van Marinus had ik in mijn jonge jaren veelvuldig contact. We hadden beiden postduiven, voetbalden in hetzelfde elftal, werkten ooit samen bij dezelfde papierfabriek, al was dat voor mij vakantiewerk. Dat schept een band. Ooit voetbalden we op een zondagochtend in Voorst 4. De duiven waren gelost en in de tweede helft liepen we samen van het veld, omdat de duiven aanstonds zouden arriveren. Daar kunnen we samen nog om lachen, al vonden onze teamgenoten het destijds minder leuk.  Nu Toon als tachtiger het alleen moet rooien, zonder zijn Dinie, wip ik incidenteel bij hem binnen. Praten over het dagelijks leven van een man alleen, ouwehoeren over vroeger en natuurlijk over de duiven. “Ik weet nog, dat er vroeger bij de kerk een hok was, waar de politie dorpsgenoten vastzette. Het schoolplein sloot aan op dit hok en wij als kinderen keken dan wie er opgesloten was.” Ik zat op dezelfde school, maar maakte het niet mee.  Ben bijna tien jaar jonger. Zat in de jaren vijftig op de lagere school. Toon maakte de na-oorlogse jaren veertig mee. Zoiets zou nu niet meer kunnen, alleen al vanwege de privacy. De situatie waar Toon in verkeert, zette me aan om clubgenoot Went te bezoeken. Zijn echtgenote Adrie overleed in december en Went zit als eenzame overblijver in hetzelfde schuitje. Een bezoekje thuis, is vaak minstens zo waardevol als een condoleance bij alle drukte en verdriet, kort na het overlijden. De weken erna komt de klap en de grote stilte. Dan kan een warme hand of arm om de schouder misschien wat troost bieden.

Verzetje

In de stille wintermaanden is er tijd voor een verzetje. Na een klusjaar even wat anders. Als pensionado heb je de tijd om leuke dingen te doen. Gisterenavond bezochten we een film over Indië, het tegenwoordige Indonesië. Vanwege het verblijf van vader Ernst tussen ’46  en ’50 als dienstplichtige in dat land, ben ik in het onderwerp geïnteresseerd.  De naam “politionele acties” dekte de lading niet.  De “speciale militaire operatie” van Poetin in Oekraïne is wat dat betreft oude wijn in nieuwe vaten. Het eerste wat sneuvelt in een oorlog is de waarheid. Die zin bleef me bij. Stiekem had ik gehoopt beelden te zien van de Scammell bergingstruc van vader Ernst. Het bord “Klein Duimpje”, wat zijn maten geplaatst hadden voor de radiateur, zou ik makkelijk herkennen. Helaas nauwelijks beelden van de 120.000 militairen, die er onder valse voorwendselen heen gestuurd werden. Geen troepenschip s.s. “Waterman” of “Boissevain”, geen gesprekken met manschappen, K.N.I.L. militairen of Ambonezen, maar hoofdzakelijk historici die bijna 75 jaar na dato tekst en uitleg geven. Weinig nieuws onder de zon. José viel bijna in slaap en raakte het spoor bijster. In de filmzaal ongeveer tien bezoekers. Deze film blijft me niet bij. Jammer. Morgen gaan we met vrienden naar Groningen. Kort na de dood van David Bowie bezochten we het Noordermuseum ter plaatse en José vond het indrukwekkend. Nu hebben ze “the Stones” als onderwerp. Ben geen echte Stones-fan, maar zo’n dagje Groningen met z’n vieren zie ik helemaal zitten. Vrijdagavond met broer Henk naar een tribute-band van “Pink Floyd” in de Deventer schouwburg. Verjaardagscadeautje van de dochters van Henk voor onze gezamenlijke verjaardag van 30 december. “Pink Floyd” was hot in mijn jonge jaren. Het idee is leuk. Nostalgie. Bij bassist Roger Waters heb ik enige reserve en echte fan van de band was ik nooit, maar ik onderga het lekker. Avondje uit met Henk is goed voor de broederband. Zie hem een leuk leven hebben, hoor ik U denken. Zal ook wel op Faceboek zitten. Eigenlijk vinden we het helemaal niet leuk als de agenda overvol is. Soms gebeuren dingen, dan overkomt het je. Beetje “cultuursnuiven” is niet verkeerd. Duiven zijn voor mij heilig, maar er zijn meer leuke dingen in het leven! Zus Erna zegt het regelmatig: “Spaar momenten, geen centen!”

Toekomst

De komende drie maanden zijn op de kweekhokken erg belangrijk. In deze tijd laat ik mijn blik glijden over de kweekkoppels. Ik kan ze inmiddels dromen. Ook blader ik in de map met stamkaarten. Dan loopt het water bijna uit de mond. Bedenk wel, dat je duiven belangrijker zijn dan de pedigrees. Sommige duiven van adellijke  komaf, hebben “het“ niet. Daar kom je proefondervindelijk achter. Onze “Brave” van ’20  heeft nu drie seizoenen gekweekt. Zelf was hij 7e asduif kring en zijn nestzus 3e asduif regio. Dat is een goed vertrekpunt. Als jaarling gaf hij meteen “Ernst”, die 1e asduif van club en kring werd met 9 prijzen. Een rustige doffer, net als zijn vader. Naar de vrouwtjes keek hij niet. Zelfs koeren liet hij achterwege. Toch overtroefde hij alle paarlustige doffertjes en hitsige duivinnen. Dat zie ik graag. Op zijn beurt gaf hij als jaarling “Cor van Gogh”. Een witte raaf. Ook 1e asduif en met een coëfficiënt van 1,8 in 2022, overtroeft hij de beste Nederlandse duif bij de junioren in Olympiadejaar 2023. Daar heb je niks aan, maar dat 2022 geen Olympiadejaar voor de junioren was, besefte hij niet.  Onze beste junior in 2023 en 1e asduif kring, komt wederom uit “Brave”. Zoals nummer twee en drie weer uit kleinzoon “Cor” komen. We hebben hem omgekoppeld en hopen, dat hij ook met zijn nieuwe partner goeien geeft. Dat weet je nooit zeker. De afgelopen winter was hij niet helemaal fit. Hij treurde wat en was wat licht van gewicht. Gelukkig herstelde hij, maar zoiets kan doorwerken in zijn kweekprestaties komend jaar. We wachten het af. Er zijn duiven met stamkaarten, die je in de brandkast bewaard. Met onbetaalbare duiven in het voorgeslacht. Ondanks een afstamming van hier tot Tokio, kan het zomaar gebeuren dat zo’n duif “het” niet heeft. Dan kun je omkoppelen en mieren  en martelen, maar er komt niets goeds uit. Wat ik ermee zeggen wil? Zoek naar duiven met kweekwaarde en wees daar zuinig op. Verkoop, als je commercieel denkt, duiven met de dure stamkaart, die in de mode is, maar die het niet waar maakt. Gewoon verwijderen mag ook, dan bespaar je anderen teleurstelling. De duiven, die aan het eind van het seizoen bovenaan staan, die verdienen een kans. Als ze “het” hebben, kom je ermee vooruit. Dan pas verdiep ik me in de stamkaart. Eerder niet. Met een hok vol “papieren tijgers” ga je de bietenbrug op en zul je de oorlog niet winnen! Ik praat nu als jonge duivenspeler. Denk je fondgericht en speel je met oude duiven, dan moet je minder rigoureus zijn. Dan gelden andere regels, maar bedenk: wat goed is komt snel en geduld is goed, zo lang het niet te lang duurt! De liefhebber met het scherpste mes komt het verst. Een gevleugelde uitspraak van de Suijkerbuijken, waar ik vaak aan denk. Heb je duiven om commercieel aan de weg te timmeren, dan moet je alles wat uit de “Wereldberoemde Papieren Tijger” komt aanhouden. Ga je tevens sportief voor het allerhoogste, dan moet je mijn laatste advies in de wind slaan. Of maak ik het nu te ingewikkeld?  (wordt vervolgd)

Op hoop van zegen (1)

Op hoop van zegen (1)

Allereerst een voorspoedig en bevlogen 2024 toegewenst, in goede gezondheid, vooral dat laatste voor alle volgers!  Dat klinkt afgezaagd als een cliché, maar is welgemeend.

Origineel

De naam “Op hoop van zegen” als titel voor 2024  schoot me spontaan te binnen. Het boek van Herman Heijermans uit 1900. Over het niet zeewaardige vissersschip “de Hoop”. Het verhaalt over een standenmaatschappij waarin arme vissers een speelbal zijn van rijke reders. Waarin mensenlevens opgeofferd worden voor de verzekeringscenten. Anno 2023 heel herkenbaar. Voor sommige wereldleiders zijn mensen vliegen, die in de gehaktmolen van een bloedig front als kanonnenvoer opgeofferd worden. Duivensport is hoop en in België besprenkelt hier en daar een dorpspastoor de duifjes en spreekt zijn zegen uit. Onschuldige folklore in mijn ogen. Het verschil tussen zegen en zege is maar één letter.

Frozen Planet

Al vier avonden op rij geniet ik van de schitterende documentaire van de BBC, die door de EO wordt uitgezonden. Over smeltende ijskappen, instortende gletsjers ten gevolge van opwarming van de aarde en alles wat daarmee samenhangt. De reflectie van de zon op oneindige witte ijs-  en sneeuwmassa’s aan de polen en de absorptie van warmte als de zon op gesmolten, zwarte watermassa’s schijnt. Dat zorgt voor een enorme versnelling van het onafwendbaar lijkende proces.  We maken ons zorgen over de toekomst van de duivensport, maar vergeleken bij de gevolgen van klimaatverandering op aarde, is het peanuts. In de eerste drie uitzendingen genoot ik van onwaarschijnlijk mooie opnames. Van de jacht van intelligente orca’s op zeehonden. Hoe ze kijkend boven water de situatie inschatten. De zeehond waant zich veilig op een ijsschots, maar dan zwemmen drie orca’s in formatie onder de ijsschots door en rammen met hun enorme staarten gelijktijdig onder tegen de ijsschots, waardoor deze breekt en de zeehond in het water stort en een prooi wordt voor de zwartwitte zeerovers.  Slimme dieren! Ook ongelooflijk mooie beelden van een roedel van 25 wolven, die een enorme Amerikaanse bizon isoleren, uitputten en na urenlang eendrachtig jagen, geleid door het alfa-vrouwtje, samen de prooi verscheuren. Een diepe buiging voor de cineasten en cameramensen, die ons met drones en moderne technieken zulke schitterende bewegende beelden voortoveren. Onder de sneeuw, onder het ijs, op grote diepte, op gevaarlijke ijsschotsen, op bergtoppen. Van dichtbij zie je de oerkracht van vechtende ijsberen, de prachtige Siberische tijger, de 30 meter lange, imposante blauwe vinvis. Dat is puur genieten van schoonheid, die ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Ook de jacht van een poolvos op lemmingen onder de sneeuw is me bijgebleven. Helaas ook bibberende pinguins, die in hun element zijn op ijsvlaktes, maar ten dode opgeschreven zijn in regen en blubber ten gevolge van klimaatverandering. Zijn mensen en dieren in staat om zich tijdig aan te passen aan de grote veranderingen, die zich overduidelijk aankondigen? Of gaat er deze eeuw een ramp plaats vinden, die ons voorstellingsvermogen te boven gaat?

Verkoop

Een bonnenverkoop om de begroting rond te krijgen is bij veel postduivenhoudersverenigingen geen luxe, maar noodzaak. Bij “Steeds Verder” is het niet anders. Op “Duiven.net” liep op vrijdagavond de veiling van 24 bonnen af en in ons eigen clubgebouw werd zaterdagmiddag de slotverkoop gehouden. Onze 34-jarige voorzitter Sven van Brummen opperde het idee om het zo te doen en vroeg me hem te assisteren als veilingmeester.  We begonnen met een moment van stilte, vanwege het recente overlijden van een dierbare partner en een geliefde broer van twee clubgenoten. Respect betuigen, denken aan de overledenen en aan de nabestaanden. Het hoort bij het leven.
Met uitzondering van een bon van de familie Eijerkamp, hadden we bonnen van overwegend lokale helden, liefhebbers uit de omgeving, aangevuld met wat relaties uit den lande van enkele clubgenoten. Met een gemiddelde van ruim  tachtig euro per bon was iedereen tevreden. Zeker de penningmeester. Er was een kwinkslag, een geintje en de sfeer was gemoedelijk. Ik herinner me de jaren met een tentoonstelling, forum, een verloting en een afgeladen clubhuis, maar die tijd is geweest. Na afloop praatten we nog even na met wat clubgenoten. We hadden het over clubs met amper twintig leden en met vele tientallen bonnen. Met van anderen overgenomen teksten, die soms volledig achterhaald zijn. “Knippen en plakken”, het betere jatwerk, maar daarmee doe je de betrokken liefhebber geen eer aan. Daar moeten we geen voorbeeld aan nemen. Die maken de markt kapot en halen de animo weg bij de toch al overvraagde schenkers. Een slotverkoop heeft in financieel opzicht niet heel veel meerwaarde.  Toch is het leuk om elkaar aan het begin van het jaar even de hand te schudden, wat te ouwehoeren en het is goed om de kachel even te laten branden. Vond het een gezellige middag voor het goede doel en Sven deed het uitstekend. Alle beetjes helpen en oliebollen verkopen als alternatief is ook niet alles.

Raymond

Soms koop je een bonnetje in een opwelling. Vroeger kocht ik jaarlijks bonnen. Meestal was het een miskleun, maar ik herinner me ook “succesbonnen”. Met bonnen van Henk Gerritsen, Piet Steenbergen, Jan de Visser, Bertie Camphuis en Jan Suijkerbuijk was het (goed) raak. De betreffende duif kan ik me na tientallen jaren nog goed voor de geest halen. Er ontstonden soms vriendschappen door de aankoop van een bon en je deed er mensenkennis mee op. Tegenwoordig ben ik terughoudend. Je moet overal heen kleppen, krijgt te maken met verschillende ringnummers en bent al druk genoeg met het verzilveren van door jezelf geschonken bonnen. Ook het samenvoegen van duiven uit verschillende milieus verloopt niet altijd vlekkeloos. Gisteren kocht ik echter in een opwelling een bon. Het was de bon van Raymond Ramaker. Een herstarter. Raymond was in zijn jonge jaren een talentvol jeugdlid. Met zijn lange golvende haren was hij een opvallende verschijning.  In die tijd was Fiona, de dochter van Martin & Joke Geven, ook jeugdlid.   Raymond deed het als jongeling opvallend goed en mocht regelmatig het podium beklimmen. “Je toekomstige schoonzoon, Martin”, zei ik gekscherend, kijkend richting Fiona. Zo werkt het echter niet in de liefde!  Door omstandigheden verliet Raymond de sport. Hij trouwde, kreeg kinderen, startte een eigen bouwbedrijf en …. begon weer met postduiven. Oude liefde roest niet! Vorig jaar kocht hij een bon van ons en zocht hij ons op. We waren een kwart eeuw verder inmiddels. De wapperende haren van weleer waren verdwenen, maar de spontane, gedreven jongeling van toen herkende ik meteen terug. Zo’n jongen wil ik wel op weg helpen en Sander, destijds ook jeugdlid, was het er meteen mee eens. De bon gisteren, was geregeld door een clubgenoot, maar toen hij niet naar waarde geschat werd in mijn ogen, deed ik zelf een bod. Vanochtend bracht ik de schenker op de hoogte. “Als het een doffer is, noemen we hem Raymond.” Heb er wel vertrouwen in, al moet je er geluk mee hebben. Aan Raymond zal het niet liggen.

Marinus

Onlangs kreeg ik Marinus op bezoek. Ook een enthousiaste starter. Midden zestig, de leeftijd van teamgenoot Marinus.  Een echte Achterhoeker. Ik geloof, dat ik hem al eens eerder ten tonele voerde. Geboren op een kleine boerderij annex café. Zag je vroeger vaker. Marinus had als kind al duiven, raakte zelf besmet met paratyphus, mocht geen duiven meer houden en leerde voor onderwijzer. Die opleiding voltooide hij niet en hij kwam terecht in de horeca. Begon een dans-café en verzeilde zo in Zutphen. Zijn gezondheid is nog steeds een zwakke plek. Met de nodige zelfspot verhaalt hij over zijn wonderlijke leven. “Ik ben heel druk, tegenwoordig hebben ze er mooie aanduidingen voor, beginnend met a.d. Daar heb ik in mijn leven wel last van gehad”. Marinus is net Dik Trom. Een bijzonder kind. Mijn vader zaliger zou zeggen: “He lult oe de gaten in de sokken”. Dat kan vermoeiend zijn. Van José hoor ik weleens, dat ik bij vlagen ook druk kan zijn. Twee druktemakers bij elkaar, dan beginnen de oren te toeten. Marinus is geen kwaaie. Hij bedoelt het goed en is helemaal gek van zijn duifjes. Een trouwe fan van mijn stukjes bovendien. Niet doorsnee en met humor. Via één van mijn compagnons kreeg hij een paar duiven. Marinus is gek van rood, schimmel en zwart. Kenmerk van de ware liefhebber. Bij ons duidt een mooi kleurtje meestal op voedsterstatus, maar dat ter zijde. Hij bracht José een luxe chocoladeverrassing en een heel staatslot, want hij wilde iets terug doen. Helaas gaat de beloofde nieuwe auto voor hem niet door, want het werd geen jackpot. Gewoon noppes. De geste was leuk, Marinus en knap hoe je als beginner als derde eindigde met de jonge duiven, achter Albert Roording en Appie Jurriëns. “Gunstige ligging in Eefde”, grapte hij met zelfspot. “Ik moet nog heel veel leren”. Ik denk, dat zijn duiven voelen, dat de baas helemaal bezeten is van zijn “kinderen”.

Eitjes

Bij onze kweekduiven zijn de meeste eitjes gelegd dit weekend. Net op tijd, want het gaat de komende nachten matig vriezen. Ook bij de voedsters regent het eieren. Dat verloopt naar wens. “Waar gaan dit jaar de goeien uit vallen?” Dat is niet te voorspellen!  Hoop doet leven. Het ene jaar is het andere niet. We hadden in ’22 een koppel, dat vier jongen gaf. Alle vier voldeden ze. Dat koppel zetten we afgelopen jaar weer samen en alle ogen waren gericht op “Kwatta”.  Het resultaat?  Zeven jongen en zeven keer de “Mispoes”. Met Arnold Paalman had ik het erover. “Dat maak ik vaak mee. Het ene jaar kweekt een duif fantastisch en een jaar later is het helemaal niks”, aldus de succescoach uit Laren.  Zekerheid is er nooit. We proberen ons kwantum te kweken uit zoveel mogelijk de beste duiven. Soms geven we een veelbelovend laatje of een nieuwe aanschaf een kans, maar dan moeten we er een heel goed gevoel bij hebben. Het is als bij een verloting. Elk lot heeft kans. Bij de ene verloting valt er misschien één prijs op honderd loten. Bij een andere verloting heb je een kans van één op tien en zit de jackpot in het spel. Die zoeken we. We kweken het liefst uit duiven, die zelf bewezen hebben postduif te zijn. Duiven die veel geld gekost hebben en voorzien zijn van een luxe stamkaart zijn gevaarlijk, als ze niet heel snel bewijs van kwaliteit leveren en renderen. Neem je verlies en ga verder met duiven, die niet bij de eerste de beste tegenslag weg blijven of steevast te laat komen. Anders hou je jezelf voor de gek en zak je steeds verder weg in het moeras van de teleurstelling. De duiven, die het bij ons laten zien, daar gaan we mee verder. Die passen bij onze doenwijze, onze manier van voeren, trainen, verzorgen en bij de omstandigheden in onze afdeling.  Duivensport kan heel ingewikkeld zijn, maar in de basis is het heel simpel. Betrouwbare duiven met een natuurlijke gezondheid, die het vaakst bij de eersten thuis zijn, daar kom je mee verder. Als dan ook de kinderen van die duiven het meeste succes brengen, dan ben je op de goede weg. Dan wordt het ook steeds lastiger om andere duiven in te brengen, die hetzelfde brengen. Het gras bij de buren lijkt altijd groener, maar laat je niet van de wijs brengen. Schijn bedriegt. Wat duiven bij anderen presteren, dat is prima. Het gaat erom, wat ze bij jou presteren!

Zoektocht

Het zoeken naar de ultieme duif, is voor sommigen een hobby binnen de hobby. Dat herken ik bij mezelf. Duiven voor anderen testen is eigenlijk ook een zoektocht naar nog beter. Door duiven te testen van naam en faam, kun je vergelijken. Dat was erg leerzaam en soms ontnuchterend. Soms spelen commerciële motieven bij die zoektocht een voorname rol. Dat aspect boeide me nooit. Het ging puur om de zoektocht naar de ultieme duif! Voorop lopen bij nieuwe trends, weten wat de markt vraagt en precies die duiven op het hok hebben, die op dat moment het meeste opbrengen, daar stond ik nooit bij stil.  Ik vind het knap, hoe sommigen van hun hobby hun beroep kunnen maken en goed kunnen leven van de duiven. Zeker als ze echt keihard spelen. Mensen die er kritiek op hebben zijn niet zelden jaloers. Zelf heb ik dat niet in me. Voor mij zijn de duiven een hobby. Misschien is passie een beter woord. Zakelijk gezien ben ik als liefhebber een sukkel. Vaak zie je, dat liefhebbers die steeds als eerste kopen wat in de mode komt, zich te veel laten leiden door het financiële aspect. Dat is ook gevaarlijk. Financieel gaat het je voor de wind, maar sportief ga je de bietenbrug op. Door mijn allergie, door het feit, dat ik niet met oude duiven speel, weet ik dat ik als een buitenbeentje wordt gezien, die nooit een volwaardige status als postduivenhouder zal bereiken. Dat vind ik niet erg. Laat me lekker de liefhebber zijn, die binnen zijn mogelijkheden en beperkingen, geniet van elk jaar dat hij met duiven kan spelen, met zijn “Willempie” helmpje op. Gewoon als team, zonder opgelegde druk van buitenaf en zonder commercie.  Dromen van topduiven en mooie uitslagen. Dat is voor mij duivensport. “De rest is larie”, zou Willem zeggen en de meer dan anderhalf miljoen euro voor 77 onbevlogen zomerjongen rond kerst mooi meegenomen. Duivensport was voor hem altijd een passie en het commerciële succes eerder een min of meer toevallige bijvangst, dan een doel. Goed voor de uitstraling van de duivensport naar de buitenwereld. En voor de gewone liefhebber? Vroeger dacht men, dat profs en geld de voetballerij zouden nekken. Het tegendeel is waar. In vrijwel alle sporten speelt het grote geld  tegenwoordig een rol, dus ook in de duivensport. Daar gaat de sport echt niet aan kapot. Een eenvoudige duivenliefhebber hoeft geen duizenden euro’s in onbevlogen duiven te investeren om succesvol te zijn! Voor een paar tientjes scoor je op een clubveiling soms een betere, weet ik uit eigen ervaring.  Goeien moeten je gegund worden! (wordt vervolgd)