Op zoek met Freek 2026

Op zoek met Freek (4)

Op zoek met Freek (4)

Voorjaarsbeurs

Zondagmorgen met Sander, Joep en Arnold naar de Voorjaarsbeurs in Houten. Een beetje in de stemming komen voor het naderende seizoen. Er zullen geen duiven voor de verkoop aanwezig zijn en dat is voor mij erg prettig. Mijn overdrukhelm kan ik thuis laten. Een ongekende ervaring. Stiekem hoop ik Herman Calon, Bas Reijerkerk en Douwe Ferwerda tegen het lijf te lopen. Met hen deel ik mooie herinneringen aan Eijerkampreizen naar verschillende Olympiade’s en een beurs. Wijlen Dick Scholten organiseerde dat, als trouw werknemer en vertrouwensman van Hans Eijerkamp. Dick deed dat met verve. Reizen naar China, Zuid Afrika, Marokko, Portugal en talrijke andere bestemmingen, toveren een glimlach op mijn gezicht bij de gedachte aan de capriolen, die we uithaalden als kwajongens op schoolreis. De Chinese Muur, Robbeneiland, Tafelberg, noem alle culturele hoogtepunten op. Dick zorgde ervoor dat we alle highlights te zien kregen en onze partners aan hun trekken kwamen. Vanuit de bus zagen we duiven vliegen in Portugal en we wilden die liefhebber(s) bezoeken. In een cafeetje troffen we een taxichauffeur, die een broer kon zijn van Willy Alberti. Hij had een biertje op en was niet de moeilijkste. Hij bracht ons in de richting, maar het was een afgelegen gebied waar we de duiven in de verte zagen vliegen. We moesten een snelweg oversteken, dwars door dichte braamstruiken en klimmen over rotsblokken. De onvermoeibare Herman Calon wierp zich op als aanvoerder van de rebellenclub. Het was compleet gekkenwerk. Johan van Dijken, die helaas niet meer onder ons is, had een half jaar later nog last van zijn rug. Ook Ben v.d. Berg uit Tull en ’t Waal, was naderhand gesloopt door het tempo van “gekke” Herman, die destijds een conditie had als een topatleet. De mooie gezamenlijke reisherinneringen zorgden er voor, dat verschillende reisgenoten een blijvende band opbouwden. Helaas zijn vele vaste deelnemers van destijds niet meer onder ons, maar de mooie herinneringen blijven!

Pechvogels

De eerste lichting jonge duiven 2026 haalde ik afgelopen zondag op. Allen groot gebracht door voedsters. In hok 1 is plek voor maximaal dertig stuks en het zijn er wat meer. Een mooie kans om wat bonnenkopers blij te maken, dacht ik. Helaas is de eerste lichting niet, zoals we ze het liefst zien. Ze voelen een beetje “voos” aan, sommigen zijn wat kortademig of hebben een nat neusje en de eetlust is matig. Een slechte start. Met wijlen Martin Geven sprak ik er vaak over. Destijds had ik veel “testduiven”. Duiven afkomstig van liefhebbers, die geïnvesteerd hadden bij nationale tophokken. Veelal liefhebbers, die zelf niet speelden met jonge duiven en hoopten, dat ik er topprestaties mee zou kunnen verwezenlijken. “Zijn het luxe-jongen, of mankeert er iets aan?”, vroeg Martin steevast. Aan mijn uitblijvende enthousiasme kon hij dan vaak al aflezen, dat hij van deze jongen weinig te vrezen zou hebben. Dat klopte overigens altijd. Aan junioren, die gespeend worden mag niets mankeren. Mijn optimisme over de eerste lichting is niet groot. Wat nu? Alle jongen opruimen is wel erg rigoureus. Ik heb gekozen voor een tussenoplossing. De jongen krijgen geen enkel medicijn. Wel volwaardige voeding. José neemt vandaag van de biologische winkel in Zutphen enkele grote flessen vlierbessensap mee, nu het boerderijwinkeltje van Corrie in Voorst niet meer bestaat. Geïmpregneerd voer, met klei, veen, rijpe tuingrond en allerhande mineralen staan dagelijks op het menu. Ik zie het een week aan en wie dan niet aan de norm voldoet, gaat naar de eeuwige jachtvelden in indianentaal. Jonge duiven moeten de kinderziekten op eigen kracht overwinnen. Volgende week komen de eerste junioren van de tweede lichting. Grootgebracht door de kwekers. We hopen, dat deze wat “luxer” zijn. Aan het eind van het jaar kunnen we evalueren. Is er verschil tussen de eerste, tweede en derde lichting qua prestaties?

Kweken

Al vele tientallen jaren ben ik trouw abonnee van “de Duif”. De vaste rubrieken van A.S. en Willem de Bruin lees ik als eerste. Wijzer word ik ook van artikelen van Michel Bommerez. Bij de reportage’s vaak mooie foto’s van topduiven en daarbij een uitgebreide stamboom. Dat is verhelderend. Naast me ligt “de Duif”, met een reportage over Gerard & Bas Verkerk. Daar kun je van leren. Ik zie “Olympic Penny”. De grootvader is direct Embregts-Theunis. In de grootmoeder zit wat bloed van Gerard Koopman. De andere grootvader komt van Gebr. Leideman, gezet tegen een Verkerkduivin. Dat verbaast me enerzijds en anderzijds ook niet. Verkerk heeft geweldige duiven, maar al enige jaren bestudeer ik de afstamming van de topduiven en meestal duiken in de stamkaarten de namen op van topliefhebbers uit binnen- en buitenland. Bij Gerard Koopman zag je hetzelfde, net als bij Willem de Bruin. Het zal U niet verbazen, dat de toppers enkel belangstelling hebben voor het allerbeste van andere hokken en dit inbrengen. Eijerkamp doet in feite niet anders. Het is leerzaam om te zien, hoe de grootste nationale kampioenen hun kweekstrategie uitvoeren. De tijd van “een stam zuiver houden” is passé. Op eigen kweekhok vertrouw ik op “the big five”. Vijf doffers, die in rechte lijn van elkaar afstammen. Uit deze “stamduiven” komen onze beste duiven. De kunst is, om er duivinnen bij te vinden, die de kweekwaarde in stand houden en de bloedlijn “fris”, zonder achteruit te boeren op het gebied van prestaties en natuurlijke gezondheid en weerstand.

Resumerend

Dat onze eerste lichting niet bulkt van gezondheid, baart ons zorgen. Toch zijn we niet meteen van de leg. We zien het aan, geven de jongen de beste verzorging en raken niet in paniek. De koude oostenwind, die in het hok van de voedsters blies. Het vochtige weer, er zijn altijd excuses te bedenken, waarachter we ons kunnen verschuilen, maar daar lossen we niets mee op. We beoefenen de sport hobbymatig. We zijn er niet van afhankelijk. Onze strategie was en is nog steeds hetzelfde. We willen de duivensport zo natuurlijk mogelijk beoefenen. De duiven moeten zich aanpassen aan ons, niet andersom. Noem het wat mij betreft biologische duivensport. Niet zweverig, niet geleid door maanstanden. Puur en met hart voor de duiven, maar soms ook gewoon hard en in het kader van “survival of the fittest”. (wordt vervolgd)

Op zoek met Freek (3)

Op zoek met Freek (3)

Team

Het spelen met postduiven in een team biedt bepaalde voordelen. Je kunt onderling taken verdelen, de financiële lasten delen, enz. Eijerkamp en Hooijmans spelen ook in teams. De leden van het team zijn betaalde krachten en hij die betaalt, bepaalt. Er zijn familieteams, vriendenteams en professionele teams. Team Freek Wagenaar is een vriendenteam. In een gezond team, gaat het teambelang boven het individuele belang. We beoefenen de duivensport hobbymatig. In een commercieel team ligt er veel meer druk. Prestaties zijn een “must”. Soms ontstaat er frictie binnen een team. Ego’s worden te groot, leden gaan elkaar tegenwerken. Er ontstaat jaloezie. Dat is een schrikbeeld en met name professionele teams moeten steeds waakzaam blijven, dat de onderlinge verhoudingen goed zijn en blijven. Ook binnen familie- en vriendenteams kan het mis gaan. Ik herinner me combinaties uit mijn jonge jaren. Als het goed ging eigende Piet zich de credits toe. Ging er iets fout, dan lag het aan Jan. Zulke teams houden het nooit lang vol samen. Kijken we binnen ons eigen vriendenteam, dan zijn er ook weleens botsingen geweest. In elk goed huwelijk knettert het soms. Het is dan de kunst om er samen weer goed uit te komen. Soms betekent dat het, al dan niet, zelf gekozen einde voor een teamlid. In 2019 knetterde het in de wintermaanden binnen ons team. Voor mijn kweekduiven leek de huisvesting en verzorging in gevaar te komen. Ik zat even met de handen in het haar. Gerrit Knol bood me een kleine annonce aan in “het Spoor” en zo kwam Gerard uit de buurt van Nijmegen in beeld. Hij was 82 en gestopt met de duivensport, omdat hij de sfeer in de club niet leuk vond. Hij miste de duiven en het loopje naar het hok en zo vonden we elkaar. Er verhuisden twaalf koppels kweekduiven naar hem en om de paar weken bezocht ik hem en zijn vrouw, samen met moeder Toos en schipperke Trijntje. Zo hielp Gerard me twee seizoenen uit de brand. Hij had niks met de computer, noch met het mobieltje. Administratie was niet zijn sterkste kant, maar met hulp van zijn echtgenote werden alle ringnummers op het bijbehorende broedvak geplaatst en kwam het in orde. De verzorging van de duiven was dik voor elkaar, want Gerard en zijn vrouw waren echte dierenmensen. Er was koffie met gebak, soms was er door Gerard gemaakte soep en we hadden het gezellig. Vooral moeder genoot van de ritjes. Na twee mooie seizoenen kreeg Gerard serieuze gezondheidsklachten. Voorzichtig probeerde hij me duidelijk te maken, dat het niet langer ging. Op zijn verzoek liet ik enkele duiven achter, zodat hij toch nog zijn loopje naar het hok had. We hielden contact en op zeker moment overleed zijn echtgenote. Gerard zat in zak en as en huilde, als hij haar naam noemde. Een zorgcentrum was zijn volgende bestemming. Het huis werd verkocht en Gerard verkaste, maar ik wist niet waar hij gebleven was. Dat vond ik jammer, want hij en zijn vrouw hadden ons team twee seizoenen uit de brand geholpen en er was een goeie band ontstaan. Het zat me niet lekker. “Zou hij nog leven?”, vroeg ik me af. Na wat speurwerk en een beetje geluk, kwam ik bij een dochter terecht. “Pa zit in een zorgcentrum in Boxmeer. Hij kan niet goed lopen, maar zijn geheugen is nog in orde. Hij zal het leuk vinden, als je contact opneemt”. Afgelopen donderdag ging ik naar Valkenswaard, om enkele dubbel gezoomde blauwe Barnevelderhanen op te halen. Een ideale gelegenheid om op de heenreis in Boxmeer Gerard op te zoeken. Hij was geëmotioneerd en vond het heel leuk, dat ik hem opzocht en ten overvloede bedankte voor twee mooie jaren. Ik kon hem naar eer en geweten vertellen, dat twee bij hem opgegroeide doffers nog steeds een belangrijke rol spelen op ons kweekhok en al vader zijn van vier eerste asduiven in de kring. Ook dat ontroerde hem. “Je moet vaker komen, want dat vind ik leuk”, waren zijn laatste woorden bij het afscheid.

Geluk

In de periode, dat Gerard zijn afscheid als verzorger aankondigde, kwam Sander op bezoek. Sander was lid van onze duivenclub, maar niet actief. Hij had een drukke baan, drie jeugdige dochters en een huis met behoorlijk wat achterstallig onderhoud. Een sympathieke, positieve, inmiddels vijftiger. Achter zijn woning los vliegende “postduiven” in de kleuren wit, zwart, rood en kakelbont. Vergelijkbaar met Rini en Jaap, die ook postduiven voor de hobby huisvesten en gek zijn op “kleurtjes”. “Jij past prima in ons duiventeam”, hield ik hem voor. Misschien overviel ik hem met het aanbod. “Ik moet er over nadenken en overleggen met mijn Tineke. Geef me één of twee weekjes bedenktijd”. Al vrij spoedig keerde hij terug in Gietelo. “We hebben overleg gehad en ik heb er goed over nagedacht. Mijn huidige manier van duiven houden brengt me ook niet verder en ik twijfelde al enige tijd om mijn lidmaatschap op te zeggen, want het traditionele duivenspel zal me te veel tijd kosten en zal ten koste gaan van mijn gezin. Toetreden tot een duiventeam opent perspectief en kost veel minder tijd. Als het aanbod nog steeds geldt, kom ik het team versterken”. Binnen het team was er geen enkele weerstand en José en ik waren meteen heel gelukkig met zijn keuze. “We hebben een lid behouden voor de club en jong bloed binnen het team”.

Eagles

Afgelopen donderdag was ik dus in Boxmeer en Valkenswaard en ’s avonds had ik José toegezegd om samen “Binnenste Buiten”, “First Dates” en het Journaal te kijken en op tijd naar bed te gaan. We hadden warm gegeten en de afwas was net klaar, toen de telefoon ging. “Ik heb een kaartje voor Kowet over. Ga je mee?” Ik keek in de richting van José, die goedkeurend knikte. “Ik rij bij de Appense kruising. Waar woon je precies?”  Ik had hem ons adres nog niet gegeven, of hij stond al voor de deur te toeteren. Ik had nog geen tijd om de schoenen te strikken, maar besloot dat in de auto te doen. “Dat is een verrassing”, zei ik tegen Erik, die ik sinds een goed jaar ken via de biljartclub. Beide zoontjes van 12 en 15 zaten op de achterbank. “We zetten de auto in de buurt van het stadion en lopen dan naar het verzamelpunt op de Brink”. Voor mij was dat een verrassing en ik dacht aan mijn nieuwe linkerknie. “Spandoeken, tromgeroffel, vlaggen, veel vuurwerk en rook en dan samen met de harde kern van de B-side in optocht naar het stadion. Schitterend”. Erik en zijn zonen zagen het helemaal zitten, maar ik had me als 73-jarige het Europese avontuur tegen het Portugese FC Braga anders voorgesteld. Gelukkig ben ik redelijk flexibel en kan, als het moet, snel schakelen. Vorig jaar was ik, met dank aan Erik, toeschouwer in de Kuip toen Go Ahead de nationale beker pakte na een zinderende strafschoppenserie tegen A.Z. Dat was een geweldige belevenis. Als nuchtere “ouwe lul” tussen allemaal uitzinnige en beschonken supporters en hooligans in één van de 190 supportersbussen naar de Kuip. Jonge knapen knoopten me een Go Ahead das om de nek en boden me geregeld blikjes bier en “shotjes” uit kleine flesjes aan, die ik beleefd weigerde. Ze vonden het zielig, dat ik niet in een vriendengroep zat, maar accepteerden me als “Kowetfan”. In het stadion van Go Ahead was ik al vele jaren niet meer geweest. Ik besloot om de avond met alles erop en eraan over me heen te laten komen. Toen we onder het viaduct van de Veenhuisweg stonden met de langgerekte supportersschare, ontstond er een bewuste opstopping. Er werd luid gezongen en er werden rookpotten, fakkels en ander ongeregeld aangestoken. Op zulke momenten krijg ik het Spaans benauwd, want die stinkende viezigheid en adembenemende luchtvervuiling, daar kan ik niet tegen. De wedstrijd zelf viel tegen. Go Ahead verdedigde goed, maar kon aanvallend geen vuist maken. Een gelijkspel was het hoogst haalbare. Heel vreemd is dat niet. Nadat vorig jaar Oliver Edwardson werd ingepikt door Ajax, de snelle Antman naar Schotland ging, topscorer Milan Smit vorige week opgepikt werd door Stoke City en aanvoerder Mats Deil eveneens vorige week voor een appel en een ei werd overgenomen door het zwalkende Feijenoord, zat er gewoon niet meer in. Tel daarbij de beenbreuk van rots in de branding Gerrit Nauber en de voetbreuk van spelmaker Breum, waardoor hij nog lang niet op het oude niveau speelt, dan mag Kowet gewoon trots zijn op de voorbije Europese tour, met winst tegen Panatinaikos uit en winst tegen topclub Aston Villa in Deventer. Eén smetje op het gedrag van het thuispubliek was het afsteken van fakkels en vuurwerk door de B-side. Dat gaat de club veel geld kosten. Ook de reactie van het publiek op de lange zijde begreep ik niet. De meegereisde Braga-supporters bedankten de spelers op het veld en omgekeerd. Dan gaan Kowetsupporters met vuur in de ogen een spreekkoor aanheffen: “Fucking shit, fucking shit”. Jammer, denk ik dan. Wat doen die mensen verkeerd? De voor de wedstrijd gekochte Go Ahead-sjaal wil ik op de kist leggen van trouwe Eagles-fan Herman Mannessen. Herman stierf op 96-jarige leeftijd en werd gisteren begraven. Z’n hele leven trouw supporter en ongeveer zeventig jaar onafgebroken een seizoenkaart. Ik leerde Herman kennen op de Martinushof. Moeder Toos en Herman konden het goed met elkaar vinden. Rummikup was het favoriete spelletje. Herman leefde voor “Kowet”. Tot zijn 86e bezocht hij de thuiswedstrijden. Toen vonden de kinderen het autorijden niet meer verantwoord en moest hij het doen met een betaalabonnement via de televisie. De laatste jaren vertoefde hij in Deventer in een zorgcentrum, in de buurt van het stadion. De kist werd donderdagavond voor het geopende raam geplaatst, zodat Herman het lawaai in het stadion  tegen Braga mee zou kunnen krijgen. Gisteren plaatsten we in de kerk te Wilp als familie een schoof roodgele tulpen  bij de kist, met de roodgele Kowetsjaal ervoor gedrapeerd. Dochter Rie verwoordde het mooi. “Pa wilde nadrukkelijke geen poespas op de kist, maar ik denk dat hij dit heel mooi gevonden zou hebben!” Inmiddels loopt me het water uit de ogen. Niet van emotie, maar het is de griep. José en ik hebben het beiden te pakken. We zouden naar een verjaardag, maar het wordt duiken i.p.v. fuiven. Ik gaf eerst de rookpotten van donderdagavond de schuld, maar inmiddels denk ik dat het gewoon een griepvirus is. (wordt vervolgd)

Op zoek met Freek (2)

Op zoek met Freek (2)

Specht

Sinds enkele weken zien we de groene specht regelmatig op ons gazon fourageren. Ik dacht altijd, dat spechten al kloppend op de boomstam, hun kostje bijeen timmerden, maar dat is een fabel. De groene specht scharrelt vaak op de bodem, op zoek naar mieren. De mobiele telefoon levert een schat aan informatie. Zo zijn er drie soorten bonte spechten. Kleinste, middelste en grootste. Naast de groene, heb je in Nederland dan nog de zwarte specht en nummer zes is de draaihals. Overal in het gazon ontstaan gaatjes. Al hakkend en gebruik makend van een tien centimeter lange tong, haalt de specht de mieren uit de bodem. Ons gazon is blijkbaar een rijke voedingsbodem, want ik heb het vermoeden, dat hij dagelijks in de middaguren onze tuin met een bezoek vereert.

Klokaanbod

Albert gooide een advertentie van marktplaats in de groepsapp. Iemand had twee Mega black modules met negen antenne’s, versterkers en toebehoren te koop. Dan ga je informeren. Ik benaderde de aanbieder en had contact met de dealer. Het afgelopen jaar zaten we behoorlijk te klooien met onze Tauris. Vooral de eerste prijsvlucht was een nachtmerrie, die ons voor de kampioenschappen kansloos maakte. Freek en José klokken met één module, maar dat is een exclusieve mogelijkheid, die alleen Tauris biedt. Op een gegeven moment werkten we met twee afzonderlijke module’s, die in de vereniging als reserve aanwezig zijn. Dat zorgde ook voor stress en ongemak. Op de laatste vluchten met name. De eerstgetekende van Freek op het eerste hok, dook als een komeet via het achterste hok naar binnen. Daar liggen de antenne’s van José. Die herkennen de duif van Freek niet. Je ziet dat vanuit het prieeltje op een afstand van twintig meter gebeuren en denkt meteen aan een wederom haperend systeem. Je gaat resetten door de stekker eruit te trekken en de letters snappen er niets meer van. Je rent vervolgens naar het achterste hok, pakt de duif, houdt die boven de antenne, die geen constatering veroorzaakt en ziet dan tot je verrassing, dat het de eerstgetekende van Freek uit hok 1 is. Het omgekeerde gebeurde ook. Een duif van José die pardoes in het verkeerde hok duikt en daar niet herkend wordt. Het zorgt voor tijdverspilling, ergernis en stress. Dat nooit meer, nam ik me heilig voor. Gewoon één module en antenne’s die zowel de duiven van Freek als José herkennen. Als je verandert van kloksysteem, wil je de vrijwilligers in de vereniging niet in verlegenheid brengen. Dan overleg je. Bij SVT zorgen Annet, Dick en Albert voor het uitlezen van de module’s en het maken van voorlopige uitslagen, meteen na het afslaan. Ik ga terug naar mijn aangepaste Tauris, plaats slecht één antenne per klep en zal zo nodig een versterker benutten. Hoop, dat we dan in 2026 probleemloos kunnen klokken.  

Attractie

Het afgelopen jaar namen we met twee duifjes deel aan de NoordWest-Veluwe competitie. Gertie van ’t Hof haalde ons over. “Net iets veur joe”. We wonnen de inleg royaal terug en besloten om ook in 2026 mee te doen. De AS Croatia OLR was geen vetpot, ondanks de plaatsen 6 en 20 in de finalerace van ruim 500 km. We moeten er als team nog over beslissen, maar ik denk dat we weer zes duifjes gaan sturen. Het zorgde na het vliegseizoen voor reuring en spanning en het levert ook informatie over de kweekwaarde van je duiven. Op dit moment zijn er zeventien koppels eieren verlegd naar de voedsters. Komende week zullen de kweekduiven opnieuw leggen en deze ronde zelf grootbrengen. In principe moet ik dan genoeg jongen hebben voor mezelf en de NW-Veluwecompetitie. Daarna gaan we dit ritueel herhalen. Opnieuw overleggen en dan de kwekers hun tweede, c.q. vierde ronde zelf groot laten brengen. Hiervan gaan er dertig naar José, zes naar Kroatië en de overigen gaan weg op bonnen en andere verplichtingen.

Kwekers

Dit seizoen krijgen alle kweekduiven dezelfde kansen. In alle koppels hebben we vertrouwen. Diverse beloftevolle duifjes haalden de status van kweekduif niet. “Uno”, met twee eerste prijzen, “Cora” (1e asduif kring snelheid), “Lampje” (1e asduif) en “Rina” (Teletekst), fungeren dit jaar als voedster, net als twee stoere kleinzonen van “Murphy’s Law”. Het is een luxe-probleem. Het afgelopen jaar schoven we vijf bewezen junioren door naar het kweekhok. We wilden minder kwekers, dus moesten we heel streng kijken naar het rendement van elke kweekduif en duiven degraderen tot voedster, of verwijderen. Komend jaar wil ik nog strenger selecteren, want nu ik ouder word wil ik geleidelijk minder duiven gaan houden.

Pedigree

Een kweekhok met uitsluitend regio- en kringwinnaars, aangevuld met 1e asduiven in groter verband, is het ultieme droomscenario. Vooraf weet je, dat daar bij nader inzien, toch duiven tussen zullen zitten met weinig of geen kweekwaarde. Ook wil je niet allemaal verwante duiven op het kweekhok, al is het opbouwen van een eigen stammetje alleen mogelijk met onderlinge verwantschap. Soms kom je aan duiven met een gedroomde afstamming en louter bewezen toppers in het voorgeslacht. Dan doen we concessies. Zo’n duifje gaat dan tegen het beste (liefst wat ingeteeld) van onszelf. Een voorbeeld is een duivinnetje met het beste van Heremans en WdB in de aderen. Opa is “New Euro”. 1e  Duitse Olympiadeduif jong in 2015 en bewezen kweker bij Eijerkamp, met dochter “Euro”, die toen tegen dochter “Olympiade” stond.  Als moeder een dochter van “Olympic Hans”, ook een bewezen Eijerkampkweker, die gepaard stond tegen kind van “Olympic Hurricane” met zijn eigen dochter. Een jong uit dit duifje werd 6e in As Croatia. Een aanbeveling, in combinatie met de pedigree, om het duifje een kans te geven op ons kweekhok. Om verder te komen en op z’n minst stand te houden, heb je “fris” bloed nodig. En …. een vlijmscherp mes, want de meeste dromen zijn bedrog!  Maar…. wel steeds op zoek!

Gezelligheid

Duivensport in teamverband heeft talrijke voordelen. José houdt niet van duivenfeesten en prijsuitreikingen. Ik hoef echter nooit alleen. Rini ging in het recente verleden mee naar de kringfeestmiddag en naar het “biefstukkenfestijn” van de SuperFondClub in Kootwijkerbroek. Albert ging onlangs bij hoge uitzondering mee en ook Jaap is in het verleden wel mee geweest. Sander houdt van gezelligheid en sociale contacten en op hem kan ik altijd terugvallen om als “José” en chauffeur te fungeren. Het bijzondere van mijn teamgenoten is, dat ze allemaal wel minimaal 50 postduiven op hun eigen hokken hebben. Op Albert kan ik terugvallen, als we iets organiseren, zoals onlangs de duivenquiz begin januari. Ook als het om constateersystemen en onze site gaat, is Albert de aangewezen persoon en redder in nood. Sander is erg enthousiast en onze jongste telg, Jaap al zestig jaar een duivenvriend en Rini ken ik nog langer als voormalige buurjongen. Rini is zonder meer de trouwste letter. Als hij er niet is, gaat bij wijze van spreken de vlucht niet door. Samen deelnemen en kosten delen in de AS Croatia, samen naar feesten, samen de vluchten beleven, samen kweken en samen ouwehoeren en lief en leed delen. Voor mij is duivensport zonder team om me heen ondoenlijk en niet voor te stellen! (wordt vervolgd)

Op zoek met Freek (1)

Op zoek met Freek (1)

Kievitseieren

Nadat ik U allereerst gezondheid en geluk gewenst heb voor het nieuwe jaar, vervolg ik mijn zoektocht naar de geheimen van het ultieme levensgeluk. Het is fijn, als er iemand met je meeloopt. Je kunt gedachten delen en het is gezelliger. In mijn jonge jaren struinde ik vanaf half maart tot half april urenlang over akkers en weilanden, op zoek naar kievitseieren. Rini, momenteel deel uitmakend van ons duiventeam, was toen al “partner in crime”. Samen stroopten we onze favoriete gebieden af. “Heze, Hoorne, Hengelder, Heuiland”. Zo maar wat veldnamen met de letter “H”. Soms ging ik alleen, maar samen was het veel leuker. Vier ogen zien meer dan twee en je bent steeds met elkaar in overleg over het gedrag van de vogels. We genoten van de natuur, maar we waren ook wel een beetje “broodzoekers”. De gevonden kievitseieren verkochten we aan mensen in de eierhandel als Bertus Diekman of Hemmie Boesveld. Ook particulier aan Hotel ’s Gravenhof”, of aan Oosterberg. Soms ging het om het eerste ei van de gemeente Voorst. Achterop de scooter van “meester” Arendse, om het eerste ei aan te bieden aan burgemeester van der Feltz. De bedankbrief heb ik altijd bewaard. “Heel goed, dat je de eerste kievitseieren uithaalt, want die gaan anders door nachtvorst toch overstuur”, moedigde hij me aan. Voor hele vroege eieren kreeg je vijf gulden, of een zilveren rijksdaalder. Voor het eerste ei van de provincie kreeg ik ooit vijfentwintig gulden. Later zakte de prijs en moest je het doen met een gulden of twee kwartjes per ei. De eieren bewaarden we vaak in onze wollen muts. Ik herinner me die keer in het voormalige Empese rietland, dat Rini en ik samen 25 eieren vonden. Kan me niet herinneren, dat er ooit een eitje sneuvelde. Toen ik José nog maar kort kende, nam ik haar mee de weilanden in. Naarmate je ouder wordt, neemt de bedrevenheid toe en “lees” je het gedrag van de kieviten. We verplaatsten ons per auto en in enkele uren hadden we zestig eieren gevonden, die we overigens netjes lieten liggen. Dat was halverwege de jaren zeventig, toen het al bergafwaarts ging met de kievit. Soms vond je in één weiland wel vier nesten met eieren. Dat was in de jaren zestig. Daarna liep de kievitenstand snel terug. Je probeerde het tij te keren, maar het was vechten tegen de bierkaai. Het markeren van nesten had vaak een averechts resultaat. Kraaien wisten al snel wat een stokje in het veld betekende. Honden, katten, kraaien, eksters, meeuwen, ooievaars, vossen, roofvogels. Het aantal predatoren was schier oneindig. Het grondwaterpeil zakte, de kruidige weilanden met slootjes en poeltjes verdwenen en maakten plaats voor biljartlakens met Engels Raaigras waar nauwelijks iets eetbaars voor de kievit kon leven. Het bewerken van het land door de boeren gebeurde steeds vroeger en intensiever en de trekkers en machines werden steeds groter en zwaarder. Soms kijk ik in het voorjaar op de favoriete zoekplekken van weleer, maar er is nergens een kievit te horen of te zien. En hetzelfde geldt voor grutto’s, tureluurs en veldleeuweriken. Rini werkte tot voor kort als muskusrattenvanger en was dagelijks in het veld te vinden. “Heb je nog kievitseieren gevonden”, vroeg ik hem dikwijls in het voorjaar. Het antwoord was steeds hetzelfde. “Je ziet of hoort vrijwel nergens meer weidevogels, laat staan dat je nesten met eieren vindt”. Het is een trieste constatering. De vrolijke luchtacrobatiek van onze kieviten, het geroep van de grutto en het karakteristieke opstijgen van de veldleeuwerik. We moeten het doen met onze verbeelding en met de mooie herinneringen. “Of neet tan, Rinus”?

Quiz

Vorige week zaterdag had onze postduivenclub Steeds Verder haar “slotverkoop”. Men kon voorbieden op “Duiven.net” en dat gaf al een opbrengst van ruim drieduizend euro. De slotveiling in Twello leverde nog een kleine 10% extra op, waarmee de club weer een jaar uit de financiële nood is. Onze duivenclub heeft nog plm. twintig leden. De één is vervelend genoeg ziek, de ander is op vakantie en dan weet je, dat je mede afhankelijk bent van bezoekers van andere clubs. Gelukkig trotseerden die het winterweer en werd het toch nog gezellig. Vooral Deventer was goed vertegenwoordigd. Het was me opgevallen, dat het fenomeen “quiz” in veel verenigingen populair was. Het dorpsfeestcomité had een dorpsquiz, de fanfare een popquiz en de voetbalvereniging een pubquiz. Je moet als duivenclub wat vertier bieden en zo ontstond het idee om een duivenquiz te houden, rondom de slotverkoop. Voorzitter Sven gaf groen licht, Albert wilde wel meewerken en zo ging het balletje rollen. “Maak jij de vragen maar, want ik ben op mijn werk momenteel heel erg druk”. Albert is sporthalbeheerder en heeft rond kerst en nieuwjaar allerlei toernooien en wedstrijden. Ik vond het een leuke bezigheid om een quiz in elkaar te zetten over onze hobby (goeie hersengymnastiek) en zo konden we de aanwezigen op een leuke manier aan het werk zetten. Het duo Vos en Vos (Peter Voskamp en Henk Voskamp, overigens geen familie van elkaar) behaalde met 19 goeie antwoorden de tweede plek. Cor Wenink en Stefan Jansen kroonden zich met 22 goeie antwoorden tot beste postduivenkenners van de gemeente Voorst en wijde omgeving. Het was een gezellige middag, waar je elkaar de hand kunt schudden en de onderlinge verbinding kunt versterken. Er werd gelachen en Hans en Rein zorgden voor de oliebollen en inwendige mens.

Kweek

Onze kweekduiven waren vlak na de kerst gekoppeld. Ze waren een dag of tien bijgelicht en de eitjes kwamen afgelopen week vlot. Traditiegetrouw maak ik enkele weken voor de koppeldatum enige emmers met een eigen mengeling van veen, klei, mineralen en grit. Ook gaat er een kilo snoep- en onkruidzaad door, die vooraf gedrenkt is in tarwekiemolie. Op deze manier proberen we de duiven in de voorbereidende fase een extra “boost” te geven. De laatste jaren hadden we prima kweekresultaten en zelden onbezette eieren, waardoor we de traditie in ere houden. Doordat we net zoveel voedster- als kweekduiven hebben, leggen we de eerste eieren onder de voedsters. Uit al onze kweekduiven willen we jongen. Als we er geen vertrouwen in hadden gehad, waren het geen kweekduiven geworden. Natuurlijk hebben we preferente kwekers. Die krijgen altijd voorrang. Het zijn “the big five”, die in rechte lijn van elkaar afstammen. Voor deze vijf doffers hebben we vijf uitverkoren duivinnen, met bewezen kweekwaarde. Zouden we ons geheel op deze favorieten focussen in de kweek, dan lopen we in de toekomst een keer vast. We zoeken dus bewust naar talent buiten de harde kern om. We hebben daarvoor topmateriaal, van edele komaf. Kleinkinderen van de grootste namen in ons land. Ons luxe-probleem is, dat jaar in jaar uit onze beste duiven komen uit steeds dezelfde doffers. Enerzijds is dat ideaal, anderzijds ook weer lastig. We weten inmiddels proefondervindelijk waar we ze niet vinden, maar nog steeds niet waar we ze wel vinden. Voor de gouden tip hou ik me aanbevolen! In “Op zoek met Freek” hou ik U op de hoogte, wat de zoektocht ons brengt.

Kloek

We hebben vier hokken met kippen. Allen met een afzonderlijke ren van plm. 60 vierkante meter. Dat is een souvenir uit de tijd, dat ik nog grote dubbelgezoomde Barnevelders fokte en de toompjes apart moest houden. Inmiddels hebben we bruine legkippen. Een kruising van witte leghorn en Rhode Island kippen. Deze hybridekippen (Isa Brown/Lohmann Brown), domineerden geruime tijd in de commerciële sector, maar er is een tendens naar geheel witte kippen. De witte leghorn is de meest productieve kip (300 eieren op jaarbasis) en verbruikt het minste voer. De Rhode Islander komt op 220 eieren op jaarbasis en verbruikt meer voer. Minder eten, betekent minder mest en minder kosten. Dan is de witte leghorn de beste keus. De hybride-legkip had het voordeel bruine eieren te leggen en in de buurt te komen van de legcapaciteit van de witte leghorn. Ze verbruiken meer voer en zorgen voor meer mest, waardoor er een tendens is om te kiezen voor de witte leghorn. Economisch gezien de beste keus voor een beroepskippenhouder. In de supermarkt zie je tegenwoordig overwegend witte eieren. Daar moet de consument aan wennen, maar smaakverschil is er niet. Zelf zie ik liever de bruine legkip. Ze is iets steviger en heeft niet de overhangende kam, die de leghorn typeert. Bij ons liep in de eerste ren een overjarige bruine hen, die ooit via natuurbroed was groot gebracht. Twee bejaarde hanen vergezelden haar. Op een gegeven moment was ik de hen kwijt. Na enig speurwerk vond ik haar broedend op elf eieren. Daarvan haalde ik er twee weg, opdat ze beter op de eieren kon broeden. Rond  8 januari zouden ze uit moeten komen, had ik berekend. Er gebeurde echter niets en bij een test bleken alle eieren schier (onbevrucht). Met name José was erg teleurgesteld. Een zorgzaam broedende kip in de bittere vrieskou werd niet beloond voor haar wekenlange trouw aan haar nest, doordat de oude hanen hun taak hadden verzaakt. “Kun je niet ergens een paar kuikentjes opscharrelen”, vroeg José. “Ik vind het zielig voor die trouwe, ouwe kip”. Ik appte naar Sando, die op zijn zorgboerderijtje ook regelmatig eieren uitbroedt met de broedmachine. Hij had geen kuikentjes beschikbaar, maar wist nog wel een adresje. Gisteren reed ik naar Wekerom, waar een hobbybroeder wat bruine legkipkuikens beschikbaar had. Ik nam er zeven mee. Thuis gekomen wilde ik ze onder de kloek zetten, maar die was net van plan het nest definitief te verlaten. Dat was niet de bedoeling. Ik plaatste haar in een donkere doos met de zeven kuikentjes en wachtte rustig af. De kloek ging zitten en de kuikentjes kropen onder haar. Ik wachtte een uur en hoorde dat het ijs gebroken was. De kloek maakte zorgzame kloekgeluidjes en de kuikentjes piepten heel tevreden. Het moederinstinct was door de kuikentjes onder haar helemaal aangewakkerd en toen ik de doos opende pikte ze me in de hand om haar aangenomen kindjes te beschermen. Dikke mik! José was helemaal blij. Een kloek met kuikens in de sneeuw. Hoe mooi wil je het hebben?

Garfield

“Heb je de rode kater, die in je tuin geboren werd uit een verwilderde kat, nog steeds?” Soms komt die vraag voorbij en ik kan hem bevestigend beantwoorden. Onze “Garfield” is onze grote vriend. Hij is van 2016, dus viert hij komend voorjaar zijn tiende verjaardag. Het is een “buitenkat”. Slapen, doet hij overdag in een stoel naast de achterdeur. ’s Nachts maakt hij zijn ronde, maar nu hij ouder wordt, wordt die ronde steeds korter. Alleen als er krolse katten zijn, is hij soms zomaar 1, 2 of zelfs 3 dagen in geen velden of wegen te bekennen. Dan maken we ons zorgen, maar hij komt tot heden altijd weer terug. Meestal is hij toegetakeld bij thuiskomst, want onze “Garfield” is een echte lieverd. Een Jan Doedel in optima forma, die bij gevechten steeds het onderspit delft. Hij is heel voorzichtig. Steekt de drukke weg over, maar dat gaat al bijna tien jaar goed. Een veearts heeft hij nooit gezien. Blijkbaar is zijn natuurlijke buitenleven goed voor zijn gezondheid. Het is een erg zindelijk dier. Zijn uitwerpselen begraaft hij diep en zorgvuldig en “sproeien”, wat veel katers doen, heeft hij nooit gedaan. Het is een aanhankelijk dier, die zijn nagels ingetrokken houdt om zijn baasjes niet te bezeren. Een kater, die vreemde katten weg houdt en geen interesse heeft voor onze duiven, of voor andere vogels in de tuin. Alleen muizen lopen bij hem gevaar, maar dat juichen we toe. We praten veel met hem en het lijkt erop, dat hij ons begrijpt. We hopen nog lang plezier te beleven aan onze trouwe metgezel.  (wordt vervolgd)